Mysterie (deel 11)

Print Friendly, PDF & Email

Albert kwam nieuwsgierig naar me toe, ik was net mijn fiets in het rek aan het zetten.
‘Hoe was het gisteren?’
‘Goed,’ zei ik zo luchtig mogelijk. ‘Hij loopt in huis zonder krukken, dus het gaat steeds beter.’
Albert keek een beetje opgelucht. Gert stond er bij, dus hij vroeg niet verder.
‘Je hoeft vanmiddag niet te gaan, hij is naar het ziekenhuis.’
‘Ow, ja,’ zei Albert duidelijk teleurgesteld, ‘voor onderzoek?’
‘Ik denk het. Verband eraf of zo. Heeft hij niet verteld.’
Albert twijfelde, hij wilde duidelijk nog wat vragen maar dat wilde hij niet waar Gert bij was.
‘Hij was vrolijk,’ zei ik maar om hem gerust te stellen. ‘Alleen snapt hij volgens mij nog geen bal van wiskunde,’ lachte ik er achteraan.
‘Wie wel,’ zei Gert.
Albert lachte, maar met een gezicht dat wilde zeggen: “zo moeilijk is het niet hoor”.
‘Wat stond er nou in die kaart?’ vroeg Gert.
‘Niets bijzonders,’ zei ik.
Albert keek afkeurend.
‘Beterschap wensen denk ik,’ zei ik maar.
‘Ja ja,’ zei Gert alsof hij het niet geloofde, ‘maar ondertussen…’
‘Moet ze zelf weten,’ zei ik. ‘Vergeefse moeite als je het mij vraagt. Als dat haar bedoeling is tenminste.’
Albert glimlachte. Ik zag hem kijken en dacht aan de middag bij Loïc. Albert moest eens weten waarom Mariska geen kans maakte bij Loïc. Hij moest eens weten wat Loïc voor hem voelde. Hoe zou hij reageren? Volgens mij sloeg hij compleet in paniek. Wat dat betreft was het wel een gewaagd idee van Loïc, om zo in zijn half open badjas de kamer in te lopen. Volgens mij maakte hij daar meer kapot mee dan goeds. Maar dat was zijn probleem.
‘Gert?’
We draaiden ons tegelijk om. Petra kwam op ons afgelopen.
‘Heb jij even wat geld voor mij in de pauze? Ik ben mijn geld vergeten.’
‘Zoveel heb ik ook niet bij me,’ mopperde hij een beetje.
‘Twee euro heb je toch wel? Je krijgt het vanmiddag thuis weer terug.’
Gert zuchtte en zocht in zijn jaszak. ‘Hier.’
‘Dank je,’ zei ze half spottend, omdat het niet echt van harte ging.
Ze keek nog even naar me, glimlachte en liep toen de school binnen.
‘Ze vergeet af en toe van alles.’
‘Jij nooit?’ lachte ik.
‘Niet zo vaak als zij.’
Ik lachte. Broer en zus. Albert keek neutraal. Duidelijk niet met zijn gedachten er bij. Samen liepen we naar binnen. Albert liep naar zijn kluisje, Gert liep met mij verder de gang in.
‘Wat ziet ze in hem?’
‘Wie?’
‘Mariska,’ zei hij wat zachter. ‘In Loïc.’
‘Geen idee.’
‘Maar Loïc ziet haar niet zitten?’
‘Niet echt nee, maak je maar geen zorgen.’ Ik lachte en sloeg hem op zijn schouder.
Gert lachte terug, als een boer met kiespijn.
‘Goh, als je het er over hebt…,’ zei ik met een knik achter hem.
Hij draaide zich om, Mariska kwam naar ons toe lopen.
‘Hoi, Joshua. Hoe was het gisteren bij Loïc?’
‘Goed hoor,’ zei ik. ‘Gaat steeds beter.’
‘Heb je…?’
Ik knikte. ‘Heb ik gedaan.’
‘En, zei hij nog iets?’
‘Nee. Hij liet hem dicht tot ik weg was.’
‘O. Oké. Nou, ja, bedankt.’
Ze draaide zich om en keek nog even kort naar Gert.
‘Hoi, Gert.’
‘Dag,’ zei hij timide.
‘Dat hij hem op tafel gooide en zich met een lach afvroeg wat hij daar nou weer mee moest, dat vertel ik maar niet. Dat mag Loïc haar zelf uitleggen,’ zei ik terwijl ik haar na keek.
Gert keek me met een ruk aan. ‘Dat meen je niet.’ Hij keek weer een stuk vrolijker.
‘Dat meen ik wel.’
Mariska draaide zich om en kwam weer terug.
‘Ga je vanmiddag weer?’
‘Nee. Gisteren was ook toeval,’ zei ik om er van af te zijn. ‘Meestal gaat Albert, die komt er toch bijna langs.’
‘Oké,’ zei ze luchtig en ging weer.
Gert keek weer een stuk minder blij.
‘Gert,’ zei ik zuchtend, ‘vergeet haar.’
Hij keek me aan, haalde zijn schouders op en liep voor me uit naar ons lokaal.

‘Ze gaat wel ver,’ zei Gert in de pauze met een knik naar de deur.
Ik keek om en zag Mariska met Albert naar buiten komen. Ik lachte en baalde tegelijkertijd.
‘Kun je wel zeggen ja,’ schudde ik mijn hoofd.
Albert keek nerveus. Aandacht van meisjes, dat was hij niet gewend. Als je interessante vrienden hebt, dan heb jij ze ook. Ik kende hem goed genoeg, dat moest hij door hebben. Ze praatte vrolijk tegen hem, alsof ze hem al jaren als een goede vriend zag. Femke kwam er bij lopen. Albert liep tussen ze in. Zijn blik zocht het terrein af en hij kwam naar ons toe toen hij ons zag staan.
‘Hij is volgende week misschien wel weer op school,’ hoorde ik hem zeggen.
Goed zo, afschepen die handel. Mariska en Femke lieten hem verder met rust. Hij zuchtte toen hij bij ons stond.
‘Laat me raden,’ zei ik, ‘of ze een keer met je mee mocht naar Loïc?’
‘Ja. Ze bleef maar zeuren.’
‘Probeerde ze bij mij ook al.’
Albert keek strak voor zich uit.
‘Laat maar zeuren Albert. Ze vraagt het hem zelf maar als hij weer op school is.’
‘Ja.’
‘Ik ga nog wat te drinken halen,’ zei Gert. ‘Jullie ook nog wat?’
‘Nee, dank je. Zoveel geld heb je toch niet meer.’
Hij draaide zich lachend om. ‘Dan leen ik toch gewoon wat bij mijn lieve zusje?’
Albert en ik keken hem na.
‘Hij is jaloers hè?’
‘Wie? Gert?’
‘Hm-m,’ knikte hij.
‘Misschien,’ ontweek ik.
‘Wat zei Loïc nou precies toen hij die kaart kreeg?’
‘Hij dacht eerst dat ie van ons was,’ zei ik. ‘Toen ik zei dat hij niet van ons kwam werd hij nieuwsgierig.’
‘En?’
‘Toen hij hem opengemaakt had moest hij lachen en liet hem mij zien. “Wat moet ik daar nu mee?” vroeg hij.’
Albert glimlachte tevreden.
‘Mariska is toch niks voor hem,’ zei hij afkeurend.
Dat maakte me nieuwsgierig. ‘Wat voor iets dan wel?’
‘Weet niet. Gewoon. Een leuk aardig meisje. Die hem snapt.’
Hij keek naar me, om bevestiging te zoeken voor zijn mening.
‘Ja,’ zei ik. ‘Komt vanzelf wel een keer denk ik.’
‘Als het Mariska maar niet is.’
Ik lachte. ‘Wat heb jij tegen Mariska?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Niks eigenlijk. Maar deze week is het de ene jongen, volgende week weer een ander. Dat is niks voor Loïc.’
‘Voor wie wel?’
‘Jongens die hetzelfde zijn als zij.’
Dat kwam er resoluut uit. Ik lachte.
‘Wat lach je nou? Dat is toch ook zo?’
‘Je hebt gelijk Albert.’

Maandag was Loïc weer op school. Ik zag hem aan komen lopen, met krukken.
‘Hé, ben je er weer?’
Hij glimlachte. ‘Ja. Als ik rustig aan doe dan gaat het wel.’
Albert zag ons en kwam meteen naar ons toe.
‘Hoi, Loïc. Gaat het? Is het niet te ver van het station?’
‘Nee, viel mee, het lopen gaat goed hoor.’
‘Kunnen we je helpen?’
‘Nee, hoeft niet. Kan ik zelf.’
Ik keek naar Albert en trok mijn wenkbrauwen even snel op.
‘Als er iets is wat we kunnen doen, dan roep je maar,’ zei ik.
‘Doe ik,’ zei Loïc terwijl hij verder wou lopen. ‘Ik ga even naar de mentor, dat ik er weer ben.’
‘Zie je straks,’ zeiden Albert en ik tegelijk.
We keken hem na. Van een afstandje stond Mariska te kijken. Ze liet hem gaan. Keek ze nou even naar ons toe? Loïc kwam niet meer naar buiten. We zagen hem in het lokaal pas weer. Hij keek even kort naar me, flauwe glimlach. Ik had het gevoel weer de Loïc te zien toen hij net op school was. Afstand. Hij was er weer en hij had geen hulp meer nodig. Dat bleek ook in de pauze. Hij zat aan tafel in de kantine, bij wat klasgenoten. Hij zei niets, luisterde naar de rest maar ik vroeg me af of het wel tot hem doordrong. Hij zat in gedachten, in zijn eigen wereld. Ik liet hem maar. Albert zag me kijken en liep met me naar buiten.
‘Wat is er nou met Loïc? Eerst dat gedoe met zijn tante, nu dit. Alsof we niet in zijn buurt mogen komen.’
‘Ik weet het ook niet, Albert.’
‘Afgelopen zaterdag wilde hij ook niet dat ik langs kwam.’
Ik probeerde mijn verbazing te verbergen.
‘Afgelopen zaterdag?’
‘Ja, ik had hem gebeld, hoe het was gegaan in het ziekenhuis en ik vroeg of hij nog hulp nodig had met zijn huiswerk.’
‘Hij zal wel genoeg huiswerk gezien hebben thuis denk ik,’ lachte ik.
‘Ja, dat zal wel.’ Hij lachte ook.
Het zette me wel aan het denken. Als hij Albert al niet op bezoek wilde hebben… En ik was een beetje verbaasd dat Albert dat zelf voor had gesteld. Hij begon los te komen, wat meer lef te tonen. Mooi.

Het was een aparte repetitie. We speelden voor het eerst het hele stuk achter elkaar. Dat viel nog niet mee. Er gingen nogal wat dingen verkeerd, vooral met de timing. We konden er ook wel weer mee lachen, zoiets gebeurde altijd wel bij de eerste keer en in grote lijnen klopte het allemaal aardig. Kelvin had het naar zijn zin. Dit was waar hij het allemaal voor deed. Een voorstelling maken, met alles erop en eraan. Hij was in zijn element. Ik bespeurde zelfs geen zenuwen toen we aankwamen bij de scène waarbij we samen alleen op toneel zaten. Die zinnen kon ik wel dromen. Kelvin nam het initiatief deze keer. Voor ik het wist lag ik op mijn rug. Daarna ging het traag, om de spanning op te bouwen. Hij boog over me heen, grijnsde een keer en kuste me toen. Dat werd langzaam zoenen. Ik hoorde mensen aan de zijkant van het toneel mompelen. Daarna ging het licht uit. Kelvin liet me los, gaf me in het donker nog een kus en ging toen staan. Van het toneel af, plaats maken voor de volgende scène. Aan de zijkant keken we naar de rest, die het volgende stuk speelden. Kelvin stond vlak naast me. Zijn hand lag ineens tegen mijn rug.
‘Ging goed.’
Ik knikte. ‘Zeker.’
‘Ik zei het je toch, op toneel lukt het wel.’
Ik grinnikte. Hij klonk weer zoals hij altijd klonk: vol zelfvertrouwen.
‘Laten we het daar dan maar bij houden.’
‘Goed idee,’ lachte hij zachtjes fluisterend.
Ik keek even opzij en keek meteen in zijn ogen. We glimlachten, op een bijna verliefde manier. Vasthouden dat gevoel. We moesten het toneel weer op.

‘Het begint serieus te worden hè?’ Gert vroeg het me in de pauze, met een brede grijns.
‘Wat?’ Ik snapte niet waar hij het over had. Mariska kon het niet zijn, dan stond hij niet zo te grijnzen. ‘Wat voor verhaal gaat er nu weer rond?’
‘Nee, niets. Ik bedoelde het toneelstuk.’
‘Ja, binnenkort is het zover.’
‘Ik zag de poster hangen, ja.’
‘Poster?’
‘Ja, bij de ingang, op het mededelingenbord.’
Ik verslikte me bijna. ‘Hier? Op school?’
Zijn grijns werd nog breder. ‘Ik kon me al niet voorstellen dat jij die opgehangen had.’
‘Dat moet ik zien.’
Samen liepen we naar binnen. Gert hoefde hem niet aan te wijzen, ik zag hem al van ver hangen. Ik wist dat ze die zouden laten maken, maar ik had hem nog niet gezien. Hij was mooi geworden.
‘Jezus,’ zuchtte ik.
‘Leuk toch?’
‘Ja, nou. Straks komen er nog meer mensen van school kijken.’
‘Nou en? Is toch gaaf?’
‘Interesse in toneel, jongens?’
Ik keek om en zag de conciërge achter ons staan.
‘Hij speelt er in mee,’ zei Gert.
‘Echt? Wat leuk. We kregen die poster opgestuurd, ik wist niet dat jij er aan mee deed. Ik zal het er bij zetten.’
Ik glimlachte flauw. ‘Nee, dat hoeft niet hoor.’
De conciërge lachte begripvol en liep door. Gert keek me lachend aan.
‘Lach niet.’
Nu maakte hij er ook nog geluid bij. Altijd fijn, als iemand met je mee leeft. We waren nog niet bij het lokaal toen Femke me tegen hield.
‘Die poster, is dat van dat toneelstuk waar jij in mee speelt?’
Ik knikte.
‘Leuk.’
Zonder verder iets te zeggen liep ze door. Raar mens. Maar dat wist dus binnen de kortste keren iedereen.

In de pauze na de lessen liep ik er weer naar toe. Mooie poster, ik kon niet anders zeggen. Onderaan de datum en de plaats waar je kaartjes kon reserveren. Loïc kwam er bij staan.
‘Mooi,’ zei hij.
Hij praatte weer alsof er niets aan de hand was. Alsof er niets gebeurd was. Als dat zijn manier was dan moest dat maar. Ik speelde het gewoon mee. Ik was allang blij dat hij weer gewoon praatte.
‘Ja, zeker,’ zei ik vrolijk. ‘Het begint nu wel spannend te worden.’
‘Kan ik me voorstellen.’
‘Het komt allemaal wel erg dichtbij nu. Maar dat is altijd vlak voordat de voorstelling er is. Gezonde spanning noemen ze dat.’
Loïc lachte. ‘Moet ik daarheen, of kan ik bij jou een kaartje bestellen?’
‘Kan ook bij mij.’
In mijn ooghoek zag ik Mariska en Femke langs lopen. Ze keken even maar ze liepen gewoon door.
‘Gaaf,’ zei Loïc. ‘Wie komen er nog meer?’
‘Ik heb Albert gevraagd of hij wilde komen.’
‘Leuk als hij ook komt.’
Ik lachte. ‘Je meent het.’
Loïc keek verlegen. ‘Ik ben benieuwd hoe hij reageert op het onderwerp.’
‘Ik ook.’
Hij glimlachte, wist niets meer te zeggen.
‘En Gert komt, en zijn zusje. Mijn moeder zal er zijn. O ja, en Patrick en zijn vriend. Die heb ik kaartjes beloofd.’
‘Ik ben echt benieuwd,’ zei hij enthousiast.
‘Je zult het wel zien,’ zei ik geheimzinnig.
We liepen samen naar buiten. Gert zal al buiten, met een aantal andere jongens van onze klas. Loïc en ik liepen naar Albert.
‘Ik hoorde van Joshua dat jij ook naar het toneelstuk gaat,’ zei Loïc meteen.
Albert knikte. ‘Ja, ik wil wel gaan kijken.’
‘Leuk,’ zei Loïc.
In de verte wenkte Femke me. Ik liep een beetje verbaasd naar haar en Mariska toe, maar ik kon wel raden wat er ging gebeuren.
‘Ik hoorde net dat je een kaartje ging regelen voor Loïc. Mogen wij ook komen?’
Ik kon moeilijk nee zeggen.
‘Natuurlijk,’ zei ik zo vrolijk mogelijk.
‘Dan gaan we kaartjes halen,’ zei Femke.
‘Leuk,’ zei ik maar.
We glimlachten nog een keer maar verder bleef het stil. Ongemakkelijk. Ik liep weer terug en wist waarom ze wilden komen. Loïc zou er ook zijn. Dat was reden genoeg om naar een toneelstuk te gaan. Zo doorzichtig allemaal.

Het bleef niet bij die twee. Er waren er meer die er lucht van kregen dat ik in dat toneelstuk meespeelde.
‘Is ook niet zo gek,’ zei Gert. ‘Iedereen weet van dat verhaal bij de bushalte en dat jij gezegd hebt dat je die jongen kende van toneel.’
‘Die willen dus allemaal wel eens zien wie dat vriendje van Joshua is,’ zei ik afkeurend.
‘Of ze willen het gewoon zien. Kan toch ook?’
‘Wat denk je zelf?’
Gert haalde zijn schouders op.

‘Binnenkort is het zover,’ begon Corné. ‘Volgende week de generale repetitie, met alles erop en eraan. Dan moet het goed gaan.’ Hij keek even de groep rond en lachte. ‘Maar dat komt goed, dat voel ik. De posters zijn klaar en hangen al op veel plekken in de stad. Kaartverkoop begint te lopen.’
‘Dat had ik al gemerkt,’ fluisterde ik tegen Kelvin, die naast me stond.
Hij grinnikte. ‘Jij ook al?’
‘Als ik niet uitkijk komt de hele klas kijken geloof ik.’
‘We gaan hem nog een keer doen,’ zei Corné met een klap in zijn handen ter aanmoediging.
Iedereen stond op en liep naar zijn plaats.
‘Daar gaat ie weer,’ zei Kelvin spottend.
‘Pepermuntje hebben?’
‘Nee, dank je.’
‘Jawel, je moet.’
Kelvin stond even stil, keek naar me en schoot toen in de lach.

De kaartverkoop begon inderdaad te lopen. En niet alleen bij het theater. Ik had een bestelling voor ongeveer de helft van mijn klasgenoten en nog een stel daar buiten.
‘Je wordt nog beroemd,’ lachte Gert.
‘Ik zal gaan oefenen op mijn handtekening,’ zei ik iets cynischer dan ik eigenlijk wilde.
Ik wist niet wat ik er bij moest denken. Waarom kwam iedereen? Omdat ze het echt leuk vonden of omdat ze mij wel eens wilden zien op dat toneel? De jongen die beweert niet homo te zijn. Eens kijken wat er van waar is? Gert vond het allemaal onzin wat ik dacht. Het was gewoon leuk en ik moest het zien als erkenning en waardering. Van eentje wist ik zeker de reden om te komen. Mariska ging omdat Loïc ging. Daar had ze hem al op aangesproken. Ze zou na de voorstelling opgehaald worden door haar ouders, hij kon wel meerijden als hij wilde, ze woonden toch in hetzelfde dorp. Hij ontweek het maar een beetje, “zou nog wel laten weten wat hij deed”.
‘Dat wordt gewoon een taxi,’ zei hij tegen mij. ‘Mooi niet met haar mee. Ik ben niet gek.’
‘Je weet nooit. Ik zou met haar mee gaan.’
‘Vergeet het Josh. Als de ouders van Albert dat nou voorstelden…’

Patrick reageerde ook enthousiast, toen ik hem belde dat ik de kaartjes voor hem had.
‘Er komen er nog meer. Vrienden van ons, een paar heb je al wel eens gezien. We gaan daarna nog uit, jullie moeten wel mee gaan hoor.’
‘Ik weet het nog niet. Misschien gaan we met de hele groep nog wat drinken naderhand. Maar dat zal toch niet zo laat worden.’
‘Kijk maar, het zou wel leuk zijn.’
‘Zal ik de kaartjes komen brengen?’
‘Mag. Maar jouw school is toch vlak bij het station?’
‘Klopt.’
‘Dan spreken we daar wel af. Anders moet je een heel eind om rijden.’
‘Doen we. Morgenmiddag, kun je dan daar zijn om drie uur?’
‘Ik ben iets eerder uit, maar dan wacht ik wel.’
Met een ‘zie je morgen’ sloot ik af. Ik legde ze meteen klaar, die moest ik niet vergeten.

Albert keek weer eens strak en somber.
‘Alles goed?’ vroeg ik toen we even alleen waren, nadat de lessen waren afgelopen.
‘Ik weet niet of ik kan komen kijken.’
‘Waarom niet?’
‘Mijn ouders zijn die avond ook weg, dus heb ik geen vervoer.’
‘Maar…’
‘Sorry.’
‘Albert, ik wil dat je komt. Echt. Er komen er zoveel, jij hoort daar gewoon bij.’
Nu keek hij echt moeilijk, hij baalde.
‘Misschien kun je nog iets regelen, het duurt nog meer dan een week.’
Hij haalde zijn schouders op maar ik wist niet of hij dat nou deed omdat hij het niet wist of om zich te verontschuldigen.
‘Ik zie wel,’ zei hij, ‘tot morgen.’
‘Tot morgen,’ zei ik licht teleurgesteld.
Ik zag Loïc het schoolterrein af lopen. Ik liep snel naar mijn fiets en haalde hem in de straat weer in.
‘Ik loop even met je mee.’
Hij keek verrast over zijn schouder.
‘Patrick staat op het station te wachten, ik heb zijn kaartjes bij me.’
‘Lang geleden dat ik die gezien heb.’
We zagen hem al staan in de verte. Hij zwaaide.
‘Hey, goochelaar,’ zei hij lachend tegen Loïc toen we bij hem stonden.
Loïc glimlachte en gaf hem een hand.
‘Hier zijn de twee kaartjes.’
‘Gaaf man, echt bedankt.’
‘Nog voor je verjaardag, beloofd is beloofd.’
We lachten.
‘Ik zie je dan, ik moet nu echt verder.’
‘Is goed. Duim voor me.’
‘Doe ik,’ knipoogde hij.
Loïc en ik keken hem na.
‘Wordt een leuke avond.’
‘Als mijn zenuwen voorbij zijn wel ja.’
Loïc lachte.
‘Hij vroeg nog of we naderhand gingen stappen.’
‘Is een optie. Bovendien, dan kan ik ook niet met Mariska mee terug rijden.’
Ik lachte.
‘Weet je wat je doet,’ bedacht ik me opeens, ‘waarom blijf je niet bij mij thuis slapen? Kan best. Hoef je ook niet dat stuk met die dure taxi terug.’
‘Dan kan ik helemaal niet terug met Mariska.’
Ik lachte. ‘Precies.’
‘Niet dat dat een reden zou zijn om te doen. Maar bedankt voor het aanbod.’
‘Deal?’
Hij keek me aan en knikte. ‘Deal.’
‘Kom je gewoon ‘s middags, kun je mee eten als je wilt. Scheelt een keer zelf koken.’
‘Helemaal ideaal.’
‘Afgesproken.’
‘Wat was dat net, met Albert?’
‘Hij kan misschien niet komen,’ zei ik.
‘Niet? Zijn ouders?’
‘Vervoer. Ze kunnen hem niet op komen halen.’
‘Da’s kut.’
‘Het is niet anders.’
‘Hij moet maar wat regelen.’
Ik haalde mijn schouders op. Hij stak zijn hand op toen de hij de bus in stapte.
‘Hij verzint maar iets. Tot morgen.’
Ik zat er dezelfde avond nog eens aan te denken. Dat moest te regelen zijn. Als Albert nou ook bij mij bleef slapen? Mijn moeder vond dat best, dat wist ik zeker. Moest hij wel mee gaan stappen. Zijn ouders konden toch niet controleren hoe laat het zou worden. Hij kon dan gewoon met Loïc en mij mee naar huis. Dan pakten we maar een taxi, dat was voor dat korte stukje best te betalen. Als we echt nog naar die homobar zouden gaan was ik benieuwd hoe Albert daar op zou reageren. Die zou zijn ogen uit kijken.

Ik stelde het de dag erna voor op school. Gert wilde organiseren om vooraf met iedereen bij elkaar te komen. Mariska vond het een goed idee, ik zag haar al scheef naar Loïc kijken.
Ik nam Albert even apart.
‘Ik heb denk ik een oplossing voor je.’
‘Voor die avond?’
Ik knikte. ‘Je kunt bij mij blijven slapen als je wil.’
‘Kan dat?’ Hij vroeg het enthousiast.
‘Ja, tuurlijk. Anders zou ik het niet voorstellen.’
‘Ik zal het vragen thuis.’
‘Is goed. Laat me maar weten.’
Ik draaide me weer om. Mariska stond niet ver bij Loïc vandaan.
‘Loïc,’ vroeg ze waar iedereen bij stond, ‘rij je nog mee?’
Loïc schudde zijn hoofd. ‘Nee, ik red me wel, ik heb al wat anders geregeld.’
Daar werd ze nieuwsgierig van. ‘O?’
‘Ja, ik blijf bij Joshua slapen.’
Ze viel even stil. Albert keek naar mij. Ik zag verschillende mensen kijken. Wat dachten die nu? Loïc bleef slapen bij die homo? Het interesseerde me geen bal.
‘Albert, jij komt toch ook?’ vroeg Gert.
‘Ja,’ zei Albert, ‘ik kom ook.’
‘Kom je dan nog wel thuis?’ hoorde ik iemand vragen. Ik kon niet horen of hij het nou spottend zei of niet.
‘Hoeft niet, ik kan blijven slapen bij Joshua.’
Ik keek naar Loïc en knipoogde. Loïc keek grijnzend terug.

© 2009 Oliver Kjelsson