Mysterie (deel 2)

Print Friendly, PDF & Email

Door hem naast Rashid te zetten had onze klassenleraar een slimme zet gedaan. Rashid sprak vloeiend Frans, waar Loïc gretig gebruik van maakte. Als hij het nodig had tenminste, verder blijf hij vooral gesloten. Dat viel bij een hoop meisjes tegen. De interesse was er al toen bekend werd dat er een jongen uit Frankrijk in onze klas zou komen, toen bleek dat hij er ook nog eens goed uit zag waren ze helemaal niet meer te houden. Dat hij problemen had met zijn been maakte hem juist “extra lief, zo kwetsbaar” zoals ik Mariska had horen zeggen. Nou ja… zeggen… Het was meer zuchten geweest. Ze probeerden contact met hem te leggen, hem bij de groep te betrekken, maar hij gaf geen krimp. En dat viel ze tegen. Het weerhield ze er echter niet van om het te blijven proberen. Hij was gewoon verlegen. En dat was “extra lief, zo kwetsbaar”.

Ik schudde mijn hoofd om die flauwekul. Die meiden waren gek geworden. Loïc deed alsof er niets aan de hand was. Toch hield hij me ook bezig. Er was iets met hem. Hij was mysterieus, hij intrigeerde. Hoe kwam hij hier terecht? Wat was dat nou met zijn been? Stom om het hem te vragen natuurlijk. En waarom zou ik dat ook doen? Er waren nieuwsgierige meiden genoeg. Dat hoorde ik vanzelf wel. Daar hoefde ik geen moeite voor te doen.

‘Gaaf stuk hè?’ Kelvin kwam enthousiast op me af.
‘Best wel.’
‘Niemand heeft in het begin door dat jij de hoofdrol hebt.’
Ik knikte. Ik was in het begin niet veel aanwezig, gewoon één van de anderen. Lekker op de achtergrond. Kelvin was ook een normale scholier in het begin. De kus tussen hem en mij moest inslaan als een bom bij het publiek.
‘Ik wil die gezichten wel eens zien. Ik ga niemand wat vertellen, ze komen maar gewoon kijken.’
Ik lachte. Ik was jaloers. Hij ging er zo vrij mee om. Alsof het niets speciaals was.’
‘Jij hebt er nog moeite mee hè?’
‘Beetje.’
Hij pakte even mijn hand. Er ging een korte siddering door me heen.
‘Maak je geen zorgen, we trekken elkaar er wel doorheen.’
‘Leuke woordkeus.’
Hij lachte erom en daarna ik ook.
‘We gaan ze pakken,’ zei hij, ‘Iedereen. Hier ook. Iedereen zit te wachten op het moment dat wij gaan stuntelen bij onze eerste kus. Dat laat ik niet gebeuren. Dat moet meteen zelfverzekerd gebeuren.’
‘Hoe?’
‘Zien we nog wel. We hebben nog even.’
Die samenzweerderige blik. Ik was er niet gerust op.

Gert mokte. ‘Sinds die Loïc hier is ziet Mariska me niet meer staan.’
‘Anders wel?’ vroeg ik schamper.
‘Nee. Nou ja… Maar ze volgen hem overal met hun blik. Al die meiden.’
‘Nieuw en exotisch.’
‘Die geen bal zegt of doet.’
‘Ik vraag me af wat er in zijn kop rond gaat.’
‘Als ie maar van Mariska af blijft.’
Ik lachte.
‘Hoe gaat het met het toneelstuk?’
‘Goed. Maar we zijn pas net begonnen. We moeten nog een hoop doen.’
‘Mag ik weer komen kijken?’
‘Tuurlijk,’ zei ik voor ik er erg in had.
‘Waar gaat het nou over?’
De woorden van Kelvin schoten door me heen. ‘Over een klas op een middelbare school,’ zei ik vaag.
‘En verder?’
‘Gewoon, dingen die gebeuren op zo’n school.’
‘Dat is toch saai? Er moet toch iets gebeuren?’
‘Vind je? Kijk eens rond hier. Loïc die hier nieuw is en zich duidelijk geen houding kan geven.’ Ik keek even naar Gert. ‘Stiekeme verliefdheden die nooit uitgesproken worden…’
Hij stompte me tegen mijn arm. Ik lachte.
‘Niet leuk, Joshua.’
Ik lachte nog steeds, opgelucht dat ik niet hoefde te vertellen waar het echt over ging.
‘Je moet maar gewoon komen kijken,’ zei ik. ‘Verrassing.’
Loïc kwam voorbij gelopen. Hij keek naar ons, zonder uitdrukking op zijn gezicht. Gert keek hem misprijzend na.
‘Rare gast,’ mompelde hij.
‘Geef hem even de tijd zeg.’
Gert keek me verbaasd aan. ‘Wat verdedig je hem nou?’
‘Ik verdedig hem niet. Maar hij is net nieuw. Het is zijn tweede dag hier. Laat hem even wennen.’
‘Ik vind hem raar.’
Ik lachte. ‘Dat is hij ook. Maar geef hem even de tijd.’

‘Tijd voor de klassenfoto, jongens.’
Onze leraar liep met ons het lokaal uit, naar buiten. We gingen bij elkaar staan op het gras voor de school, bij de paal waar het bord aan hing met de naam van onze school er op. Loïc kwam als laatste aan lopen. We hadden geen rekening gehouden met zijn been. De fotograaf stond al te wachten, met de camera op een statief. Tussen mij en Albert was wat ruimte, Loïc kwam tussen ons in staan. Zijn arm raakte die van mij, we keken elkaar even aan.
‘Excuus.’
Ik glimlachte maar een keer.
‘Even allemaal naar voren kijken. Beetje lachen mag hoor.’
Iedereen lachte om de manier waarop de fotograaf het zei.
‘Nog eentje voor de zekerheid.’
We bleven lachen en naar de camera kijken.
‘Mooi. Dat was ‘m. Dank jullie wel.’
De groep viel weer uit elkaar. Tijd voor de pauze, we moesten onze tassen nog ophalen in het lokaal. Loïc liep naast me naar binnen. Automatisch paste ik mijn tempo aan. Samen liepen we de trap op.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
‘Ja hoor.’
‘Als ik ergens mee kan helpen…’
‘Ik kan alles zelf.’ Dat zei hij snel. En dwars.
Ik glimlachte. ‘Sorry. Hoe vaak vragen ze je dat op een dag?’
‘Te vaak.’
Hij keek even naar me, het was de eerste keer dat ik hem zag glimlachen. Misschien wel de eerste keer dat hij dat op school deed. En ik had de primeur. Met hem alleen, halverwege de trap naar boven. We haalden onze tas op in het lokaal. Hij hing zijn tas over zijn schouder en keek naar me.
‘Ik kan hem zelf wel dragen hoor.’
Nu schoot ik in de lach. Loïc lachte mee. Samen liepen we terug, de trap weer af waar hij duidelijk moeite mee had. Zijn ene hand had de leuning vast, zijn andere de band van zijn tas op zijn schouder. Ik was al bijna beneden toen ik omkeek. Ik schrok een beetje van zijn gezicht.
‘Gaat het?’
Hij knikte. Kort.
‘Ik zie het,’ kon ik niet laten om te zeggen toen hij beneden naast me stond.
Hij grijnsde. ‘Vandaag gaat het wat minder goed. Teveel gedaan gisteren.’
‘Ups en downs?’
‘Oui.’
Hij keek met een ruk van zijn hoofd naar me, alsof hij zich betrapt voelde dat hij ineens Frans praatte. Ik glimlachte, hij daarna gelukkig ook.
‘Kom, we gaan naar buiten.’
Hij knikte.
‘Waar woon je eigenlijk?’
‘Dorp, tien kilometer verder.’
‘Dat is een eind fietsen.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Bus.’ Hij keek naar zijn been. ‘Fietsen is teveel. Meestal.’
Ik hield er mijn mond maar over, ik merkte dat hij het er verder niet over wilde hebben. We liepen naar de tafel waar Gert zat. Gert keek me een beetje verbaasd aan, bijna afkeurend. Ik negeerde het, en ging gewoon zitten. Niet veel later kwamen er wat meisjes bij zitten. Loïc was duidelijk niet op zijn gemak. Ik keek even naar Gert toen Mariska er bij kwam zitten, met Femke. Ik knipoogde. Er kwam een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. De aanwezigheid van Loïc had zo ook zijn voordelen.

Als ik dacht het ijs een beetje gebroken te hebben bij Loïc dan had ik het verkeerd. Hij zei de dagen erna niets tegen mij. Hij bleef afstand houden. In een van de pauzes stond hij te bellen. Toen ik langsliep hoorde ik dat het Frans was, wat hij praatte. Zijn ouders waarschijnlijk. Hij keek niet vrolijk. Hij stond met zijn rug tegen de muur. Hij drukte een tijdje later zijn toestel uit, het gesprek had bijna de hele pauze geduurd. Langzaam zakte hij door zijn knieën, ging zitten en sloeg zijn armen om zijn benen. Gezicht op onweer. De bel ging, iedereen liep langzaam naar binnen. Loïc bleef zitten. Bij de deur keek ik om, hij was niet van plan op te staan. Ik draaide me om en liep naar hem toe. Ik voelde mensen kijken.
‘Loïc?’
Geen antwoord.
‘Loïc, we moeten naar binnen.’
‘Laat me alleen.’
‘Loïc, de lessen beginnen weer.’
‘Geen zin.’
Ik wist niet wat ik moest doen. Hier kreeg hij problemen mee. De tijd begon te dringen.
‘Je moet naar binnen,’ zei hij recht voor zich uit, ‘anders kom je te laat.’
‘Ga je niet mee?’
Hij zuchtte , keek getergd. Daarna schudde hij zijn hoofd. Ik haalde mijn schouders op en draaide me om. Ik rende naar het lokaal waar we les hadden, ik was nog net op tijd. Ik was de laatste en sloot de deur achter me. Iedereen zat al, en volgde me met hun blik toen ik mijn plek naast Gert opzocht.
‘Wat was dat,’ fluisterde hij.
‘Geen idee.’
‘Rare gast.’
Daarmee was het voor hem afgedaan. Klaar. Rare gast, hij moest het zelf maar weten. Mariska keek een keer naar me. Ik haalde mijn schouders op. Toen ik even later naar buiten keek zag ik hem weglopen, het schoolterrein af. In de richting van het station.

Tussen de twee lessen kwam Mariska meteen naast me lopen.
‘Wat was er met Loïc?’
‘Geen idee. Hij wilde gewoon niet naar binnen. Ik weet het verder ook niet.’
‘Ik hoop maar dat het niks ergs is.’
Ik zweeg. Ik maakte me waarschijnlijk nog meer zorgen dan zij. Ik bleef zijn gezicht voor me zien. Pijn. Dat spatte er vanaf. En niet vanwege zijn been. Er was iets aan de hand. Maar ik had geen idee wat. Hij belde met zijn ouders, want het was in het Frans. Zou er iemand overleden zijn in de familie? Ik kon het me niet voorstellen. Dan reageer je anders. Hij keek geraakt, beledigd. Ik had het idee dat we er nooit achter zouden komen.
‘Waar is hij nu?’
‘Naar huis denk ik.’
Ze keek vragend naar me.
‘Ik zag hem net naar het station lopen toen we les hadden.’
Mariska liep naar haar tafel, ik ging weer naast Gert zitten.
‘Waar hadden jullie het over?’
‘Wanneer jij haar eindelijk eens mee uit zou vragen,’ zei ik spottend.
‘Alsof ze dat ziet zitten. Het ging over Loïc zeker?’
Ik knikte. ‘Of ik wist wat er was.’
‘Ik had het kunnen weten,’ zuchtte hij.

Ik keek Kelvin verbaasd aan.
‘Ik meen het. Ik weet niet hoe we dat moeten doen.’
‘Ik dacht dat jij er zo zelfverzekerd over was.’
‘Ik weet ook wel dat het goed komt, maar hoe moeten we beginnen?’
‘Weet ik ook niet.’
‘We kunnen toch geen datum gaan prikken zo van “Overmorgen kom ik naar je toe en dan gaan we zoenen?” dat slaat nergens op.’
‘Nee. Heb je helemaal gelijk in.’
‘Dus?’
‘Dus zal het denk ik bij de repetitie moeten.’
‘O nee. Dat niet. We zullen het vooraf moeten doen.’
‘Het duurt nog even. Ze kunnen ons niet dwingen.’
Hij zweeg. Ik moest er wel om lachen, hoe hij er mee zat. Ik had precies hetzelfde, maar van hem had ik het niet verwacht. Het zette ons wel op gelijk niveau. Dat stelde me wel gerust.
‘We gaan gewoon een paar weken bij jou of mij thuis ons stuk oefenen. Zonder zoen. Dan zien we wel wanneer het gaat gebeuren.’
‘Is een idee.’
‘Ik wil eerst wel eens weten hoe het voelt om je vast te houden, voor we gaan zoenen.’
Kelvin schoot in de lach.
‘Ja, wat lach je nou? Is toch ook zo?’
‘Je hebt wel gelijk.’
Ik keek voor me uit.
‘Heb jij wel eens gezoend?’
‘Met een meisje ja. Vaak zat.’
‘Oké.’
Hij keek me aan. ‘Jij nog nooit?’
Ik schudde verlegen mijn hoofd. Daarna grijsnde hij. ‘Ik leer het je wel,’ zei hij balorig.
‘Fijn,’ zei ik sarcastisch.
We keken elkaar aan en schoten toen in de lach. Hij sloeg een arm om me hen en trok me tegen zich aan.
‘We gaan ze pakken.’
Hij had zich weer helemaal hersteld.
‘We gaan ze pakken,’ zei ik.
Het klonk nog overtuigend ook.
Corné kwam naar ons toe. ‘Ik heb wat voor jullie.’
We keken naar het bundeltje papier dat hij ons gaf.
‘Het originele verhaal, waar dit toneelstuk op is gebaseerd. Er zijn veel dingen veranderd, maar kijk er maar eens naar. Het geeft heel goed de sfeer aan die we zoeken.’
We knikten en bladerden er tegelijk doorheen. Waarschijnlijk op zoek naar hetzelfde.
‘Bladzijde tien,’ lachte hij.
We voelden ons betrapt. Hij wist wat we zochten.
‘Maar dat lees je thuis maar. We gaan weer wat doen hier.’

De dag erna was Loïc er weer. Iedereen keek nieuwsgierig naar hem, maar hij liet niets merken. Hij zei helemaal niets. Zijn gezicht stond strak, maar daar begonnen we ondertussen wel aan te wennen. Af en toe keek ik naar hem, in het beste geval knikte hij een keer. Ook Rashid wist niet wat hij er mee moest. Af en toe legde hij wat uit aan hem, als er iets gezegd werd wat hij niet helemaal begreep, maar dat gebeurde niet vaak. Loïc sprak ook gewoon goed Nederlands. Waarschijnlijk thuis veel geleerd. Na de les ging ik bij Rashid zitten. Loïc was naar buiten, het terrein af.
‘Wat is dat met hem?’ vroeg ik.
Rashid haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Dat weet niemand.’
‘Raar. Ik kan me voorstellen dat hij zich niet meteen thuis voelt, dat hij moet wennen hier, maar er is meer aan de hand.’
‘Jij maakt je nogal zorgen om hem.’
Ik keek Rashid aan.
‘Waarom? Ik heb het in het begin ook geprobeerd, maar hij wil nergens mee geholpen worden. Af en toe vertaal ik een woordje voor hem, maar verder… Hij zoekt het maar uit. Ik word nerveus van hem. Er komt niets uit.’
De bel ging. Ik keek een keer rond. Loïc kwam om de hoek aan lopen. Het verbaasde me bijna. Hij bleef toch gewoon de lessen volgen. Ik besloot op hem te wachten. Op zijn tempo liepen we samen de trappen op naar de eerste verdieping. Loïc zei niets.
‘Gaat beter dan vorige week,’ zei ik met een knik naar de trap.
‘Als ik het maar genoeg rust geef. Maar dat doe ik niet altijd.’
Ik zweeg, wist niets meer te zeggen. Die afstandelijkheid van hem. Ik kon er helemaal niets mee.

‘Heb je het gelezen?’
Ik keek Kelvin aan, die op mijn bed zat. Hij was die avond naar me toe gekomen. We gingen het stuk instuderen.
‘Ja, ik heb het gelezen.’
‘Heftig.’
‘Dat is nog zachtjes uitgedrukt.’
‘Ik ben blij dat ze het wat anders hebben geschreven voor het stuk. In dat verhaal liggen ze op de grond, ze kruipen op elkaar na de eerste kus en liggen gewoon te droogneuken.’
‘Dat hoeven we dan weer niet te doen. Die kus is al uitdaging genoeg.’
Hij lachte. Hij pakte het script erbij en bladerde.
‘Waar beginnen we?’
‘Het stukje vlak voor de kus?’
Hij knikte. ‘Is goed. Het gesprek gaat nergens over, maar de spanning is er al wel.’
Ik ging op een stoel zitten. ‘Eerst zo maar eens doen?’
‘Is goed.’
We oefenden onze zinnen. En nog een keer. Na de derde keer keek Kelvin me aan.
‘We kunnen het nu uit ons hoofd.’ Hij klopte naast hem op het bed. ‘Nu tegen elkaar aan.’
Ik stond op en ging naast hem zitten. Het voelde onwennig, maar dat was in het stuk ook zo. Tot zover weinig toneel spelen, ik was nerveus genoeg van mezelf. We begonnen weer. De zinnen kwamen er twijfelend uit.
‘Gaaf. Zo moet het. Als we naast elkaar zitten gaat de manier van spelen bijna vanzelf.’
Ik glimlachte.
‘Nog een keer,’ zei hij.
We begonnen weer, langzaam schoof Kelvin dichterbij. Ik speelde mee, hing zijn kant op tot onze schouders elkaar raakten. We keken elkaar aan, onze zinnen waren op. Ik boog wat voorover, mijn voorhoofd tegen dat van hem. Ik had een knoop in mijn maag. Mijn hand legde ik op zijn been, ik draaide mijn hoofd wat en schoof met mijn gezicht langs dat van hem. Mijn neus drukte tegen zijn schouder.
‘En daar moeten we elkaar dus kussen,’ zei hij droog.
‘Ja,’ mompelde ik.
‘Nog een keer.’
We gingen wat rechter zitten, begonnen weer opnieuw. Weer schoof hij dichter tegen me aan, weer mijn hand op zijn been. En weer mijn neus tegen zijn schouder.
‘Ik kan dit niet hoor,’ zuchtte ik.
‘Hoeft vanavond ook niet. We moeten eerst hier aan wennen.’
‘Ik denk het.’
Kelvin sloeg een arm om me heen en trok me dicht tegen zich aan. Samen vielen we om. Zo bleven we even liggen. Het begon te wennen leek het wel.
‘Als mijn moeder nu binnen komt heb ik wat uit te leggen.’
Kelvin grinnikte. ‘Waarom dacht je dan dat ik voorstelde om bij jou thuis te repeteren?’
Ik lachte en kneep in zijn zij. ‘Rotzak.’
Lachend stoeiden we op bed. Op een gegeven moment lag ik op mijn rug, Hem half bovenop me, zijn gezicht was een paar centimeter van mijn ogen verwijderd. Zijn ogen verstarden, hij liet me los.
‘Nooit gedacht dat het zo moeilijk zou zijn,’ zuchtte hij toen hij recht ging zitten.
‘Ik vind dat we al een heel eind opgeschoten zijn.’
Hij knikte. ‘Volgende week weer?’
‘Is goed.’
‘Mooi. Nu nog één keer dezelfde regels. Daarna moet ik gaan.’
We begonnen weer, alles op dezelfde manier. Ik wilde hem verrassen met een kus op zijn wang, maar toen het zover was dook ik toch weer weg. Ik kon het niet. Onmogelijk. Met een diepe zucht liet ik hem los. Volgende week misschien. Nu was het allemaal eventjes genoeg.

De foto’s werden uitgedeeld. Iedereen kreeg een envelop. Dat was altijd een moment voor grappen. Er werd gelachen, mensen klaagden dat ze “er stom op stonden”. Ik haalde hem er uit en bekeek hem. Het viel me mee. Ik had er wel eens erger op gestaan. Gert stond naast me, brede lach. Aan de andere kant Loïc. Hij lachte. Zo had ik hem nog nooit gezien. Hij keek echt vrolijk. “Gespeeld”, was het eerste dat ik dacht. Ik keek naar hem, schuin voor me in de klas. Hij had de envelop open gemaakt, eventjes gekeken en daarna in zijn tas gestopt. Zonder enige emotie op zijn gezicht. Ik begon Gert gelijk te geven. Rare gast. Ik begreep Rashid ook. Ik was er klaar mee. Als hij niet wilde, dan maar niet. We hadden als klas open genoeg gestaan, als hij er niet bij wilde horen dan maar niet. Langzaam maar zeker begon de aandacht van de meisjes ook minder te worden. Lief en kwetsbaar was dan wel erg schattig misschien, maar hier hadden ze niets aan. Hij had duidelijk geen interesse. In geen van hun. Loïc kon het allemaal in zijn eentje? Dan moest hij dat vooral zo doen. Ik begon me af te vragen waarom we op hem gewacht hadden voor die klassenfoto.

Zijn afzondering werd later die week toch op de proef gesteld. We gingen naar een museum in de stad een eindje fietsen van onze school. Toen dat bekend werd keek ik naar hem. Daar zat hij, met zijn busabonnement. Ik vroeg me af wat hij dacht. Bij het verlaten van het lokaal bleef ik hangen. Ik liep achter hem aan het lokaal uit.
‘Achterop meerijden als we naar dat museum gaan?’
Hij draaide zich om. ‘Als je wilt.’
‘Mij maakt het niet uit.’
‘Is goed.’
‘Afgesproken,’ zei ik en liep de trap af, op mijn eigen tempo. Ik bleef niet op hem wachten.
‘Joshua?’
Ik keek onder aan de trap om. Hij liep langzaam naar beneden.
‘Waarom doe je dit voor mij?’
‘Jij hebt geen fiets hier. Hoe moet je er anders komen? Ik probeer gewoon te helpen.’
‘Waarom zou je me helpen?’
‘Waarom niet?’
‘Ik praat nooit tegen je, doe niet aardig.’
‘Ik probeer je hier thuis te laten voelen. Dat is alles. Wat je verder doet moet je zelf weten.’
Hij wilde wat zeggen, maar slikte zijn woorden in. Even keken we elkaar aan.
‘Dank je,’ zei hij toen.

‘Nou, spring maar achterop,’ zei ik een week later.
‘Twee benen aan één kant, anders krijg ik kramp denk ik.’
‘Wat jij wil.’
De rest van de klas keek naar ons. We waren de laatste die uit de stalling reden. In de bocht greep zijn arm ineens om me heen.
‘Ik viel bijna.’
‘Ik zal voorzichtiger rijden,’ lachte ik.
Ik hoorde hem achter me lachen. Zijn arm bleef om me heen geslagen. Ik dacht aan Kelvin, die had de avond ervoor bij mij thuis de hele avond tegen mij aan gezeten, arm om me heen. Zijn vingers hadden met mijn haar gespeeld, mijn schouder zachtjes geknepen. Dat had een functie, maar dit voelde raar. Het had net zo goed een functie, anders viel Loïc van mijn bagagedrager af, maar het was anders. Raar. We reden alleen achter de rest aan. Gert had het voor elkaar gekregen naast Mariska te kunnen fietsen. Niet dat ze wat zeiden, ze reden zwijgend naast elkaar, blik recht vooruit. Ik wist hoe Gert zich moest voelen; zwaar ongemakkelijk. Ik kon er wel om lachen, moest hij maar niet zo dom zijn om naast haar te gaan fietsen. Bij het museum remde ik langzaam af, zodat hij rustig af kon stappen. In het museum was ik hem weer voor het grootste gedeelte van de tijd kwijt. Alsof hij me ontweek. Iedereen ontweek. Toen ik een zaal binnen liep zag ik hem bij een vitrine staan kijken, samen met Albert. Ze praatten, wezen en lachten een keer. Ik was verbaasd. Dit moest niet gekker gaan worden. Hij keek op, zag dat ik er ook was en glimlachte een keer naar me. Met zijn drieën liepen we verder door het museum heen. Albert vond het interessant, ik had niet anders verwacht. Loïc en ik vonden het duidelijk minder. Het interesseerde me niet. Een beetje lacherig liepen we door het museum heen. Bij een bankje bleef hij staan. Hij ging er op zitten, strekte zijn been en sloot zijn ogen. Hij rekte zich uit, zijn gezicht vertrok. Die had pijn.
‘Gaat het?’
‘Als ik even blijf zitten wel.’
Albert liep door, de volgende zaal in. Ik twijfelde, ging ik verder of bleef ik bij hem? Ik ging naast hem zitten en zuchtte.
‘Saai dit.’
‘Nogal.’
Hij lachte om mijn bevestiging die uit de grond van mijn hart leek te komen.
Er kwamen wat klasgenoten voorbij, Gert zei hallo en liep met de rest mee door. Nogal logisch, Mariska was er bij. Ik hoorde ze lachen in de volgende zaal waarin ze verdwenen waren.
‘Die vriend van jou, Gert, is die verliefd op Mariska?’ Hij lachte. ‘Dat zie je zo.’
‘Misschien.’
‘Ik hoop het maar voor hem. Dan heb ik ook weer wat rust.’
Ik keek hem vragend aan.
‘Ze zit achter me aan. Kijkt de hele tijd naar me. Ze heeft me ook al een keer opgewacht bij de bushalte op het station, met vragen over huiswerk.’
Ik grinnikte.
‘Alsof ik alles weet, ik heb al moeite genoeg om het te volgen.’
‘Je spreekt anders perfect Nederlands.’
‘Heb ik als kind meteen geleerd. Van mijn moeder.’
Mariska kwam weer terug gelopen. Ik hoorde hem zuchten. Achter haar kwam Gert aanzetten. Daar kon ik dan wel weer om lachen. Omdat Gert haar volgde kwam de rest ook weer terug en namen haar mee naar een andere verdieping.
‘Gered,’ grinnikte ik.
Hij glimlachte een keer.
‘Maar niks voor jou?’
‘Wat?’
‘Mariska.’
Hij schudde zijn hoofd, met een afkeurend gezicht. ‘Volgens mij moeten we zo weer naar de uitgang,’ ontweek hij het verder.
‘Ja, is goed. Weg hier.’
Ik stond op, stak mijn hand uit. Hij liet zich dankbaar omhoog trekken. Terug op de fiets sloeg hij meteen zijn arm weer om me heen. Losjes om mijn middel, zijn hand gevaarlijk dicht bij mijn lies.

‘Lukt het een beetje,’ vroeg Corné na een avond repeteren.
‘Jawel,’ zei Kelvin. ‘We komen iedere week een keer bij elkaar om te repeteren. We hebben de tekst er al best goed in zitten.’
‘Mooi. Lukt het ook om je in te leven in de rol?’
‘Stukje bij beetje,’ zei ik. ‘Al is het moeilijk om je erin te verplaatsen.’
‘Als je hulp nodig hebt, gewoon roepen, dan spreken we een keer apart af hier.’
‘Doen we,’ zei Kelvin, ‘maar het lukt zo ook wel.’
Het viel me op dat hij het snel zei. Alsof hij er niemand bij wilde hebben. Ik keek hem verbaasd aan toen Corné weer weg liep.
‘Ik wil ze overdonderen, Joshua, totaal verbaasd laten staan.’
‘Je maakt er wel een hele uitdaging van.’
Hij lachte. ‘Gaaf toch?’
‘Toch zou ik wel wat advies willen hebben. Ik weet echt niet wat ik moet voelen, lijkt het wel.’
‘Ik heb een idee.’
‘Een idee?’
‘Om te kijken hoe dat nou gaat.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Komende vrijdagavond wat te doen?’
‘Nog niet. Hoezo?’
‘We gaan uit. Stappen.’
‘Waar?’
Hij grijsnde. ‘Ken je die homobar in de stad? Die hebben vrijdag een jongerenavond.’
Mijn mond viel open. Hij lachte nu.
‘En? Ik ga in ieder geval. Ga je mee?’
© 2009 Oliver Kjelsson