Mysterie (deel 9)

Print Friendly, PDF & Email

Loïc mocht inderdaad op vrijdag naar huis. Dat kreeg ik te horen via een simpele sms. Hij belde niet, hij sms’te. Albert kreeg dezelfde, op bijna hetzelfde moment. We zagen het in de pauze. Albert kwam naar me toe, zijn telefoon nog in zijn hand.
‘Hij is weer thuis.’
‘Ja,’ glimlachte ik, ‘ik las het net.’
‘Zullen we hem vanmiddag op gaan zoeken?’
‘Hij zit bij zijn oom en tante denk ik. Weet jij waar dat is?’
‘Kunnen we hem vragen.’
‘Bel jij hem?’
Albert zette zijn verlegen gezicht weer op. Toch knikte hij. ‘Is goed.’
Hij liep wat weg van de rest, ik liep met hem mee. Hij had zijn telefoon al tegen zijn oor.
‘Hoi, met Albert,’ zei hij ineens. ‘Hoe is het?’ ‘Mooi.’ ‘Joshua en ik willen vanmiddag op bezoek komen, mag dat?’ ‘Ow.’ ‘Ja, snap ik, dat je moe bent.’
Ik zag de teleurstelling op zijn gezicht. ‘Morgen,’ vroeg ik zacht.
‘Morgen dan?’ Zijn gezicht bleef strak. Ineens fleurde het op. ‘Leuk. Doen we dat.’ ‘Ben je bij je oom en tante?’ ‘Mag ik dat adres?’ Hij keek even snel naar mij. Ik had geen pen en papier bij de hand. ‘Wat?’ ‘O, daar. Dat onthoud ik wel.’ ‘Ja, goed.’ Hij zocht mijn blik. ‘Ja, Joshua komt ook mee.’ ‘Oké, tot morgen.’ Hij sloot af en glimlachte.
‘Morgen?’
‘Ja,’ zei hij, ‘morgen.’
Hij keek een beetje opgelucht. Nerveus om te bellen, opgelucht dat hij het gedaan had.
‘Waar zien wij elkaar dan morgen?’ vroeg ik. ‘Dan rijden we er samen naar toe.’
‘Bij de winkels waar hij zelf woont?’
‘Is goed,’ zei ik, ‘zien we elkaar daar.’
Albert keek naar de rest van onze klas. Daarna glimlachte hij en liep naar binnen.

Ik reed zijn dorp al binnen toen ik een sms kreeg.
Ik ben thuis, mijn eigen appartement.’
Daar keek ik van op. Wat was hij nou weer aan het doen? Ik stopte op het plein en ging op mijn bagagedrager zitten. Mijn armen lagen op het zadel, ik keek in de richting van de straat tegenover het plein om te zien of Albert al kwam. Ik stuurde een kort berichtje terug naar Loïc. “OK” Waarom was hij thuis? Ging dat wel met zijn enkel? Ik schrok op uit mijn gedachten toen ik Albert zag zwaaien.
‘Hoi, Joshua,’ hoorde ik ineens achter me.
Ik draaide me geschrokken om. Dat was de stem van Mariska.
‘Wat doe jij hier?’
Albert kwam er bij staan. ‘Hoi.’
‘We gaan op bezoek bij Loïc,’ zei ik. ‘We hadden hier afgesproken om samen verder te fietsen.’
‘O, leuk. Is hij nog steeds ziek?’
‘Hij is net thuis, sinds gisteren.’
‘Net thuis?’
‘Hij is geopereerd aan zijn enkel.’
‘Wat erg. Was hij gevallen of zo?’
‘Nee, het was gepland. Het zat nog steeds niet helemaal goed.’
Albert zei niets, luisterde alleen maar.
‘Mag ik mee?’
Dat konden we dus niet hebben. Zij wist niet dat hij alleen woonde en waarschijnlijk wilde Loïc dat ook zo houden.
‘Hij is nog heel erg moe,’ zei ik. ‘Maar ik zal hem de groeten doen.’
‘Ja, moet je zeker doen.’ Ze dacht even na. ‘Moeten jullie nu meteen weg?’
‘Ik denk het wel.’
‘Wacht even een paar minuten, ik ben zo terug. Let je even op mijn fiets?’
Voor ik ja kon zeggen was ze al weg, de speelgoedwinkel in. Albert keek me verbaasd aan.
‘Ook een sms gehad net?’ vroeg ik.
‘Nee, hoezo?’
‘Hij is thuis. Zijn eigen flatje bedoel ik.’
‘Wat?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik snap het ook niet. Maar goed, als we straks wegrijden dan gaan we gewoon richting zijn oom en tante. Ze hoeft niet te weten dat hij hierboven woont.’
‘Nee.’
Mariska kwam al weer terug. Ze duwde me een klein cadeautje in mijn handen.
‘Wil je dat aan hem geven? Wens hem beterschap van mij.’
Die houding van haar. Een beetje speels, giechelig.
‘Doe ik,’ glimlachte ik.
‘Oké, dank je.’ Ze pakte haar fiets weer.
‘Gaan we verder?’ vroeg ik aan Albert.
‘Ja, is goed.’
‘Doeg,’ zei Mariska vrolijk.
Albert en ik reden weg.
‘Even gewoon richting zijn oom en tante,’ zei ik. ‘Mariska hoeft niet te zien waar hij woont.’
‘Volgens mij is ze verliefd op hem.’ Albert zei het mopperend.
Ik lachte. ‘Zou zo maar eens kunnen. Zal Gert leuk vinden.’
‘Wat?’
Ik schrok. Dat floepte er uit voor ik er erg in had. ‘Laat maar. Dat heb ik niet gezegd.’
Albert grijnsde, samenzweerderig. ‘Gert?’
‘Je houdt je mond. Dat heb je niet gehoord.’
‘Ik dacht dat ze verliefd op jou was.’
‘Dat dacht ik eerst ook. Maar ja, ik ben homo tenslotte, dus nu is Loïc aan de beurt.’
‘Raar.’
‘Ja.’ Ik keek een keer rond. ‘Zullen we zo eens omdraaien? We zijn het dorp bijna uit.’
Albert lachte. ‘We zijn het huis van zijn oom en tante ook al voorbij.’
We draaiden om en reden terug.
‘En nu maar hopen dat we Mariska niet weer tegen komen.’
Albert grinnikte. ‘Daar wonen ze trouwens.’
Ik volgde met mijn blik zijn hand die wees naar een huis op de hoek.
‘Waarom zit hij nu alweer in zijn appartement?’
‘Geen idee, Albert. Geen idee. Hij zal het straks wel vertellen denk ik.’
We reden langs het plein, Mariska was gelukkig nergens meer te zien. We belden aan, de deur klikte open. Boven stond zijn voordeur al op een kier. Hij stond bij de keuken, schonk glazen in.
‘Hoi,’ zei hij vrolijk.
Die toon in zijn stem. Dat speelde hij, die vrolijkheid. Ik doe niet voor niets aan toneel om dat door te hebben.
‘Hey,’ zei ik vrolijk terug alsof er niets vreemds aan was dat hij thuis was. Ik doe niet voor niets aan toneel om zijn spelletje mee te kunnen spelen.
Albert was wat voorzichtiger. ‘Hoi,’ zei hij timide.
‘Hey, Albert. Leuk dat jullie er zijn. Ga zitten.’ Hij aarzelde even. ‘Willen jullie zelf je glas even meenemen?’
Hij stond daar met twee krukken.
‘Dat van jou ook even meenemen?’
Hij keek me lachend aan. ‘Graag.’
Albert en ik deden onze jas uit en hingen die over twee stoelen van de eettafel. Albert pakte zijn glas en dat van Loïc en zette ze bij de bank op tafel. Loïc ging voorzichtig zitten.
‘Gaat het een beetje?’ vroeg ik.
‘Jawel. Goed zelfs. Ik ben weer thuis.’
Ik keek veelbetekenend naar hem.
‘Ik woon nog even bij mijn oom en tante. Maar vandaag wilde ik thuis zijn. Gewoon even mijn eigen plek. Ik heb gevraagd of ze mij hier naar toe wilden brengen, ik moest wat op mijn computer doen.’
Ik grijnsde. ‘En ze weten zeker niet dat wij op bezoek komen?’
‘Nee,’ zei hij balorig, ‘ze hoeven niet alles te weten.’
Ik keek naar zijn lachende gezicht. Gespeeld.
‘Maar hoe gaat het nou?’ vroeg Albert.
‘Wel goed,’ antwoordde Loïc serieus. ‘Ze zeggen dat het goed gelukt is en dat er goede vooruitgang in zit.’
‘Merk je ook verschil?’
‘Voor zover ik er al iets mee kan… Het klinkt misschien eng, maar de knak die ik altijd voelde is weg.’
Albert keek een beetje met een vies gezicht. ‘Knak?’
Loïc lachte. ‘Ja, als ik mijn voet op een bepaalde manier bewoog dan knakte hij.’
‘Gadverdamme. Deed dat niet zeer dan?’
Loïc haalde zijn schouders op. ‘En beetje raar gevoel, meer niet.’ Hij keek even naar Albert. ‘Alles went Albert, echt. Ik lette er ook niet veel meer op. Maar af en toe bleef het verkeerd zitten en had ik moeite met lopen, traplopen vooral. En dag later was het dan weer goed geschoten. Dat hebben ze nu veranderd.’
‘Hebben ze het weer opnieuw gebroken?’
Loïc schudde zijn hoofd naar mij. ‘De pinnen die er in zitten opnieuw afgesteld.’
Ik keek raar, hij lachte er om.
‘Dat klinkt gek, maar ik weet niet hoe ik het anders uit moet leggen.’
Zijn blik schoot even naar het cadeautje op tafel.
‘We hebben nog iets voor je.’ Ik stond op en pakte het. ‘Het is niet van ons. We kwamen net Mariska tegen, die vroeg wat we hier deden.’
Loïc keek een beetje verschrikt.
‘Nee, we hebben niet verteld dat je hier woont. Maar we hebben wel verteld dat je net uit het ziekenhuis bent. Toen heeft ze dit voor je gekocht. Ik moest je beterschap wensen van haar.’
Loïc keek naar het pakje, kneep er een keer in. Zacht, dat had ik ook al gevoeld. Hij scheurde het papier er af, en kwam een klein knuffelbeestje uit, knalgroen met geel.
‘Lief,’ zei hij.
Albert en ik glimlachten maar.
‘Bedank je haar van mij?’
‘Doe ik,’ zei ik.
Loïc zette het op tafel en wilde opstaan. ‘Nog iets drinken?’
‘Ik doe het wel even,’ zei ik.
‘Hoeft niet.’
‘Laat mij nou maar even.’
‘Ik kan het zelf,’ zei hij fel. ‘Je lijkt mijn tante wel.’
Ik ging weer zitten. Loïc keek me verontschuldigend aan. ‘Sorry.’
‘Geeft niet.’
Loïc liep met zijn krukken naar de koelkast, pakte de fles er uit en hobbelde er weer mee terug. Zittend schonk hij onze glazen weer vol en ging toen weer terug. Zijn kruk viel bij de keuken, leunend met een hand op het aanrecht pakte hij hem snel weer op en stond weer overeind.
‘Dat doe je handig,’ zei ik lachend.
‘Oefening baart kunst.’ Hij zei het spottend, maar niet op een vervelende manier.
We lachten.
‘Zouden jullie iets voor mij willen doen?’
‘Zeg het maar.’
‘Kunnen jullie een keer huiswerk brengen de komende week? Dan heb ik wat te doen thuis.’
‘Is goed,’ zei ik. Ik keek naar Albert. ‘Kun jij dat doen? Je komt hier toch bijna langs.’
Albert knikte. ‘Hier of bij jouw oom en tante?’
‘Daar. Hier zal ik niet veel zijn.’
‘Doe ik. Kom ik iedere dag wel even langs.’
Loïc keek blij. ‘Dank je.’
‘Wanneer kom je weer naar school?’
‘De week erna, hoop ik. Ik moet het nog een week rust geven, wond kan dan helen. Maar daarna kan ik weer redelijk lopen, zeggen ze. Met krukken dan nog wel.’
Loïc ging verzitten, zijn gezicht vertrok even.
‘Pijn?’ vroeg Albert meteen bezorgd.
‘Nee, niet echt.’
Albert geloofde het maar half. Hij keek naar de klok.
‘Ik moet zo weer gaan,’ zei hij met spijt in zijn stem. ‘Ik moet mijn vader nog helpen in de tuin,’ legde hij uit toen Loïc en ik hem aan keken.
Ik knikte een keer. Albert schoof onhandig heen en weer.
‘Ik zei nog dat ik afgesproken had hier naar toe te gaan, maar ik moest maar op tijd terug naar huis komen.’
Dit voelde ongemakkelijk. Albert had duidelijk geen zin om nu al weer te gaan, maar hij moest. Ik vroeg me af hoe zijn ouders eigenlijk waren. Ze leken me niet makkelijk. Dan had ik het een stuk beter met mijn moeder. Albert stond op en pakte zijn jas. Loïc hielp zichzelf omhoog met zijn krukken.
‘Dag,’ zei Albert timide bij de deur.
‘Gaaf dat je geweest bent,’ zei Loïc vrolijk.
‘Ja.’
‘Ik zie je maandag weer.’
‘O ja,’ zei Albert ineens een stukje vrolijker. ‘Dag!’
Loïc en ik zagen hem gaan, bij de deur van de trap zwaaide hij nog een keer.

‘Strenge ouders,’ zei Loïc toen we weer binnen waren.
‘Nogal.’
‘Nou ja, hij heeft ze tenminste nog.’
‘Hij wel ja.’
Loïc keek me met een ruk van zijn hoofd aan. ‘Hoe bedoel je? Jij ook niet meer?’
‘Mijn ouders zijn gescheiden.’
‘Woon je bij jouw moeder?’
‘Ja.’
‘Zie je jouw vader nog?’
‘Soms. Niet te vaak. Niet ieder weekend. Hij heeft het te druk. Zegt hij.’
‘Zegt hij?’
‘Ja, laat maar. Hij is altijd weg, druk bezig met dingen.’
‘Je wilt het er niet over hebben?’
‘Nee.’
Loïc keek me een keer aan en glimlachte. ‘Ik snap het.’
‘Het is niet dat hij niet om me geeft hoor. Maar andere dingen zijn belangrijker. Als ik hem zie is het allemaal goed tussen ons. Het gebeurt alleen niet zo vaak.’
Loïc wreef een keer over mijn rug vlak voor we weer gingen zitten. Loïc keek naar het knuffelbeestje op tafel en pakte het.
‘Wat moet ik hier nu weer mee?’
‘Ergens neerzetten,’ zei ik stom.
‘Waarom geeft ze zoiets?’
‘Weet ik veel. Albert denkt dat ze verliefd op je is.’
Loïc lachte. ‘Zou je denken?’
‘Misschien. Ik moet zeggen, het leek er wel op.’
‘Ze was toch verliefd op jou?’
‘Op mij? Waarom denkt iedereen dat toch?’
‘Omdat dat aan alles te merken was.’
‘Gert dacht het ook al.’
‘Die zal wel jaloers zijn.’
Ik keek naar Loïc.
‘Ook dat was zo te zien, Joshua, kom op.’
Ik glimlachte.
‘Maar ze was het op jou, dat weet ik zeker.’
‘Nu niet meer in ieder geval. Ik ben tenslotte homo.’
Loïc schudde zijn hoofd. Daarna lachte hij. ‘Ze zal er nog spijt van krijgen als ze er achter komt dat jij het niet bent en ik wel.’
Daar kon ik dan wel weer om lachen. Het was ook wel een rare situatie.
‘Ben je ook verliefd op haar?’
‘Nee,’ zei ik beslist.
‘Dat zeg je snel.’
‘Omdat het ook niet zo is.’
‘Wie dan wel?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Op wie ben je dan verliefd?’
Ik zweeg.
‘Kom op, er moet iemand zijn.’
Hij daagde me uit. Die blik van hem. Ik wilde het ook wel vertellen, maar aan de andere kant ook niet.
‘Kom op man, vertel.’
‘Niemand bijzonders.’
Hij grinnikte.
‘Echt. Niemand. Ik zou het echt niet weten.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘En jij dan?’
‘Ik?’ Gespeelde onschuld. Daarna keek hij lachend naar me. ‘Als jij het niet wil vertellen, waarom zou ik dat dan wel doen?’
Daar kon ik om lachen. Het werd voor mij ook tijd om te gaan. Bij de deur keek hij nog een keer naar me.
‘Is het voor jou net zo wanhopig als voor mij?’
‘Hoe bedoel je?’
Hij grijnsde. ‘Verliefd op iemand wat nooit wat kan worden.’
Ik lachte. ‘Weet ik niet. Bij mij misschien wel, bij jou weet ik het niet. Als je me niet vertelt wie het is, dan kan ik dat niet weten.’
Loïc lachte hard. Hij pakte me vast.
‘Bedankt dat je geweest bent.’
‘Graag gedaan.’
‘Ik zie je snel weer.’
Dat klonk serieus.
‘Doen we,’ zei ik maar.
Loïc bleef wachten tot ik de trappenhal in liep. Hij zwaaide nog een keer.

Kelvin was stil toen ik bij hem ging zitten in de zaal op maandagavond.
‘Alles goed?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ja hoor.’
‘Maar?’
‘Wat maar?’
‘Kelvin, je kijkt alsof je morgen naar de tandarts moet voor een wortelkanaalbehandeling.’
Hij glimlachte, flauw.
‘Ik zie er tegenop,’ zei hij toen.
‘Waar tegenop?’ vroeg ik, maar ik kon het wel raden.
‘De scène, wat anders.’
Ik sloeg een arm om hem heen. ‘Komt wel goed. Dat gaan we samen doen.’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Kelvin, je trekt je toch niet terug hè?’
‘Nee,’ zei hij voorzichtig. ‘Dit moet ik gewoon doen.’
‘Mooi zo,’ zei ik beslist.
‘Doe jij het?’
‘Wat?’
‘Beginnen zo meteen. Met zoenen.’
‘Waarom?’
Hij zuchtte. ‘Dat is voor mij makkelijker.’
Ik was verbaasd. Hij was zo zelfverzekerd in het begin. Ik had geen idee wat er aan de hand was. Kelvin kon alles. Zo leek het tenminste. Was nu zijn grens bereikt? Was Kelvin toch niet zo onoverwinnelijk als we allemaal dachten? Ik keek naast me, Kelvin keek strak. Corné riep iedereen bij elkaar, eerst werden er andere dingen gedaan, wij konden nog even blijven zitten. Mijn gedachten dwaalden af. Ik had nog even met Albert staan praten vandaag, op school. Hij ging naar Loïc om wat huiswerk te brengen. Hij was vrolijk. Het deed wat met hem. Altijd een nietszeggende jongen in de klas, af en toe werd er om hem gelachen. Dit gaf hem het gevoel dat hij wat betekende, Loïc nam hem serieus. Ik dacht terug aan het gezicht van Albert op dat feestje, nadat ze hem die streek leverden door te gaan stappen. Hij keek berustend, alsof het normaal was dat men zo met hem om ging. De verandering in die blik van hem toen Loïc voorstelde om bij hem te blijven slapen, “omdat hij er bij hoorde”. Ik knipperde een keer met mijn ogen. Ik moest op blijven letten wat er gebeurde. Hoe zou ik het vinden als ik aan het spelen was en de rest met andere dingen bezig zou zijn? Loïc had me mooi voor het blok gezet zaterdag. Waarom zou ik het hem niet vertellen? Ik durfde het niet. Maar waarom? Op wie was hij verliefd? Die Maurice waarschijnlijk. Dat moest hij toch eens los laten. Ik kon me niet voorstellen dat het ooit weer goed zou komen met die twee. Ik had ook het voorgevoel dat Loïc het niet over Maurice had zaterdag. Maar wie dan wel? Bedoelde hij mij? Hij had me gekust, met me gezoend op die avond stappen. Met me gedanst. Ik schudde mijn hoofd weer. Bij de les blijven. Het had goed gevoeld, dat zoenen. Ik voelde niks voor hem, maar dat zoenen was toch lekker geweest.
‘Joshua?’
Ik keek op. Corné glimlachte.
‘Jullie zijn. Laat het maar eens zien.’
Kelvin stond al. Ik ging naast hem staan.
‘Jij begint,’ fluisterde hij.
Ik knikte. Niet dat ik er vertrouwen in had. De zenuwen gierden door mijn keel. We begonnen, zittend op de grond, wat gras in het park voor moest stellen.
‘Lekker?’ vroeg Kelvin.
Ik knikte. Kelvin had twee blikjes meegenomen. Hij ging wat achterover zitten. Zijn handen leunden achter hem op de grond.
‘Ik word gek van haar.’
Ik glimlachte. ‘Kan ik me voorstellen. Maar vind je haar echt niet leuk dan?’
‘Nee.’
‘Waarom niet? Is er iemand anders?’
Kelvin zweeg. Ik draaide me naar hem toe en grijnsde. ‘Er is echt iemand anders. Wie?’
‘Doet er niet toe.’
‘Tuurlijk wel. Dat kun je mij toch wel vertellen.’
‘Het wordt toch nooit wat.’
‘Dat weet je niet totdat je het vraagt.’
‘Geloof me. Dat wordt nooit wat.’
We zwegen weer. De groep die naar ons zat te kijken zweeg, zaten met grote aandacht te kijken. Kelvin ging een beetje op zijn zij liggen, leunend op zijn elleboog. Hij deed alsof hij plukte aan het gras. Ik keek voor me uit. Ik wist wat ik moest zeggen. Dit leek erg op het gesprek dat ik met Loïc had zaterdag. Ik voelde de spanning op lopen. Mij stem trilde toen ik verder ging.
‘Ik heb hetzelfde hoor,’ zei ik nerveus.
‘Doet er niet toe.’
Ik keek naast me. Kelvin keek terug. Doodsangst in zijn ogen, en dat was nog niet eens gespeeld volgens mij. Ik plukte ook een keer in het gras. De spanning was door de hele zaal te voelen, leek het wel. Zou Loïc met hetzelfde zitten? Praten over verliefd zijn met degene waar je verliefd op was, zonder dat te zeggen? Kelvin gooide zogenaamd wat gras op mijn been en veegde dat er voorzichtig weer af. Ik voelde de elektriciteit door mijn lijf knetteren. Raar wat toneel met je kan doen. Ik zat er middenin. Kelvin staarde naar zijn hand. Zijn vingers raakten de zijkant van mijn been nog.
‘Wat denk je?’ vroeg ik.
Nu ging het gebeuren. Kelvin wachtte te lang met antwoorden. Mooi. Het maakte de spanning nog groter.
‘Jij weet wel wat ik denk,’ zei hij toen verlegen.
Ik glimlachte, raakte zijn hand aan met mijn vingers. Ik gleed langs zijn arm omhoog naar zijn schouder. Waarom deed ik dat? Uitstellen? Of paste het gewoon? Met mijn hand op zijn schouder duwde ik hem achterover en boog over hem heen. Ik duwde hem zo achterover zodat ze onze gezichten goed konden blijven zien. Even liet ik mijn hoofd boven zijn gezicht hangen. Ik glimlachte nog een keer. Iedereen leek zijn adem in te houden. Dit zou ik eigenlijk met iemand anders moeten doen. Waarom niet? Die kon er hooguit van schrikken. Zou ik uitlachen worden? Ik kon het me niet voorstellen. Misschien ook verliefd op mij? Ik wist het echt niet. Terug naar Kelvin. Die lag te wachten op het moment. Ik kuste hem. Voorzichtig. Nog een keer. Zijn hand gleed over mij rug naar mijn nek. Nog een kus, maar nu hield ik me tegen hem aan. Ik hapte voorzichtig. Hij hapte kort terug. Zo ging het met Loïc ook. Ik wist hoe het voelde. Zonder er bij na te denken, als vanzelf, likte ik langs zijn lippen. Daarna liet ik mijn gewicht op zijn lichaam drukken en zoende hem. Ik dacht niet meer aan Kelvin. Dit voelde ineens goed. We zoenden! En hoe! Mijn tong speelde met die van hem. Zijn ogen schoten wagenwijd open. Daarna sloot hij ze weer en zoende terug. Het ging eerst snel, daarna langzamer. Ik trok voorzichtig terug, kuste hem nog een keer en liet mijn hoofd met een zucht naast zijn hoofd dalen. Zo bleef ik even liggen, mijn hoofd op zijn schouder. Nu zou het licht op toneel uitgaan. We bleven nog even liggen. Het was stil. Ik bewoog weer, draaide op mijn zij. Het ontplofte. In mijn lichaam, in mijn hoofd. Kelvin lag naast me op zijn rug, hij staarde naar het plafond, zijn ademhaling ging zwaar, zijn borst ging flink op en neer. Het ontplofte, ook in de zaal. Ze klapten, joelden. Het gonsde in de zaal. In mijn maag ook.

Corné klapte toen we opstonden. Hij keek tevreden, grijnsde met respect.
‘Mooi gedaan jongens. Niets meer aan veranderen.’
Kelvin en ik liepen weer naar de plek waar we zaten. Kelvin keek weer een stuk vrolijker. Hij had zijn zelfvertrouwen weer terug.
‘Even korte pauze,’ hoorde ik Corné zeggen.
Ik haalde wat te drinken voor hem en voor mij. Ik werd gefeliciteerd met complimentjes.
‘Als je dit zo straks bij de echte voorstelling doet, dan gaat de zaal plat,’ zei iemand tegen mij.
Ik glimlachte maar. Als we dat eens zouden kunnen doen. Met mijn moeder in de zaal, Gert, zijn zus. Patrick, zijn vriend. Loïc erbij, misschien Albert. Ja, die moest ik maar eens vragen of hij ook wilde komen kijken. Anderen van de klas? Mariska en Femke misschien. Het zou niet verkeerd zijn. Dan konden ze zien waar ik mee bezig was. Dat scheelde misschien al een stuk. Ik liep terug naar Kelvin. Hij lachte weer. Ik gaf hem zijn flesje en ging naast hem zitten.
‘Over drie weken de generale repetitie, met alles erop en eraan. De week erna de eerste echte voorstelling. Dat gaat ons helemaal lukken.’
Het was nog maar een maand, besefte ik me ineens. Dat was al snel. Het gaf me meteen weer een nerveus gevoel. Kelvin stootte me aan.
‘Bedankt. Je sleepte me er mooi doorheen.’
‘Jij mij ook.’
‘Echt?’
‘Ik was al weken nerveus, als de dood. En jij was zo zelfverzekerd, ik dacht dat ik je nooit bij zou kunnen houden. Maar na vandaag weet ik dat we het samen moeten doen.’
Hij lachte. ‘Jij? Nerveus? Daar was net niets van te merken.’
‘Geloof me.’
‘Je deed het zo als vanzelf.’
‘Ik haalde er van alles bij in mijn hoofd. Dat maakte het makkelijker.’
‘Je dacht niet aan mij?’ vroeg hij gespeeld beledigd.
Ik grinnikte. ‘Nee. Sorry.’
‘Waar dacht je dan aan?’
‘Het uitgaan.’
‘Loïc?’
Ik knikte. ‘Ook.’
‘Wat is dat tussen jullie?’
‘Niets.’
‘Niets?’
Ik zuchtte. ‘Nee. Niet op die manier. Maar er is iets. Ik kan het je niet uitleggen.’
‘Een band?’
‘Zoiets.’
‘Jij weet iets van hem wat niemand anders weet.’
‘Ja, inderdaad. Dat maakt het wel speciaal. Hij vertelt me steeds meer over zichzelf.’
‘Misschien is hij wel verliefd op je.’
‘Misschien wel, misschien niet.’ Ik dacht even na. ‘Nee, ik denk van niet.’
‘Maar je bent speciaal voor hem. Volgens mij ben jij de enige die hij alles vertelt.’
‘En Albert. Die weet niet alles, maar die laat hij ook toe. We zijn zaterdag ook samen bij hem op bezoek geweest, toen hij thuis was uit het ziekenhuis.’
‘Albert?’
‘Jongen die ook bij ons in de klas zit. Stille jongen, maar Loïc en hij kunnen het goed met elkaar vinden.’
‘Oei, concurrentie.’
Ik keek in het grijnzende gezicht van Kelvin. Albert? Concurrentie? Ik kon het me niet voorstellen. Zo had ik het tenminste nog nooit bekeken.

© 2010 Oliver Kjelsson.