Nieuw begin (deel 1)

Print Friendly, PDF & Email

Met een zucht nam ik de afslag en reed richting het dorpje wat ik zo goed kende. Ik was er niet meer geweest sinds ik daar definitief gegaan ben. Het viel me zwaar. Alles was zo herkenbaar. Alles zat zo vol herinneringen. Goede herinneringen en slechte. Vooral de goede kwamen nu weer boven. Het blije gevoel als ik over deze weg reed, wetende dat ik hem snel weer zou zien. Ik schrok van dat blije gevoel. Lang niet meer gevoeld. Alles voorbij. Het bedrijf tussen het dorp en de snelweg was een hal aan het bijbouwen. De zaken gingen goed zeker. Die blijheid maakte me meteen weer droevig. Down. Mijn neus op de feiten. Alles voorbij.

We hadden elkaar via internet leren kennen. Puur toeval. Niet eens via een datingsite. Alsjeblieft zeg. We zaten op hetzelfde forum. Konden lachen om de opmerkingen van de ander. Via mail wat meer contact, je weet hoe die dingen gaan. Toch maar eens afgesproken wat te gaan drinken samen, ook al woonden we een flink eind uit elkaar. Het klikte. Meteen. En goed ook. Vanaf dat moment wist ik het. Hij was het. Hij was die ene waar ik al zolang naar op zoek was. Na die ene ontmoeting stond mijn hele leven op zijn kop. Ieder weekend waren we bij elkaar. Ik maakte al snel kennis met zijn ouders. Leuke mensen, gezellig ook. Zijn vrienden. Lekker zootje ongeregeld. Hechte band, ondanks dat ze allemaal zo verschillend waren. Getrouwd, samenwonend, sommige met kinderen al, een verstokte vrijgezel. Het kon er allemaal, ook toen hij homo bleek te zijn, met een vriend die aan de andere kant van het land woonde. Waar het ook meteen mee klikte. Het waren acht gelukkige maanden. Hoogtepunt was wel de vakantie met zijn tweeën. We genoten van die drie weken onafgebroken samen. Ik was er best wel nerveus voor geweest, vroeg me af of dat wel goed zou gaan. Ik had me druk gemaakt voor niets. Het ging geweldig, ik heb hem de dagen erna gruwelijk gemist. Alles ging in die drie weken als vanzelfsprekend, alsof we al jaren bij elkaar hoorden. Dat deden we ook. Alleen hadden we elkaar pas later leren kennen. We waren voorbestemd voor elkaar, zoals dat zo mooi heet. God, wat hield ik van hem. Nog steeds. Niets kon tussen ons inkomen. Totdat hij ziek werd. Kanker. Ik zat dagen aan zijn bed, steunde hem bij alle bestralingen en chemotherapieën. Het mocht niet baten. Hooguit wat uitstel van executie. We kregen nog de tijd om nog één keer samen een weekje op vakantie te gaan, naar een vakantiehuisje dichtbij. Intense dagen. We wisten dat we het niet konden winnen. Een maand later ging het snel en toch nog onverwacht. Zijn moeder belde me op mijn werk. Ze zei maar één ding.
‘Kom maar.’
Na een idiote rit naar het ziekenhuis was ik nog net op tijd. Ik heb zijn hand vastgehouden totdat het voorbij was. Op het laatst was hij nog helder. Hij heeft me bedankt voor de mooie maanden. Ik moest beloven dat ik niet alleen zou blijven. Een uur later was het voorbij. Nog geen dertig jaar oud.

Ik had mijn auto aan de kant gezet. Ik kon even niet meer. Alles kwam boven. Het troosten van elkaar met zijn ouders, zijn zusje, zijn vrienden. De crematie die in een waas aan me voorbij is gegaan. Het leeghalen van zijn huis. Het terug rijden naar huis, voor de laatste keer, met een doos vol herinneringen op de achterbank. Ik veegde met de mouw van mijn jas langs mijn gezicht. Met twee handen en mijn kin op het stuur staarde ik voor me uit. Ik voelde me schuldig. Ik had naderhand maar weinig van me laten horen. Ik kon het niet opbrengen hier weer naar toe te gaan. Ik had zijn ouders te kort gedaan. We belden af en toe. Meer zat er niet in. Zijn vrienden sprak ik maar sporadisch. Ze hadden me nu uitgenodigd. Verjaardag. Altijd gezellig toen.

Hij had me voor het eerst meegenomen naar een verjaardag van een van zijn vrienden, om me voor te stellen. Hij was nerveus. Ik niet minder. Nergens voor nodig. In het begin was het even aftasten, maar ik ging diezelfde avond daar de deur uit alsof ik er al jaren thuis hoorde. Hand in hand zijn we terug gelopen naar zijn huis, tevreden, gelukkig. Een kus terwijl hij probeerde de sleutel in het slot van zijn voordeur te steken. Gniffelen, net iets te veel gedronken. Euforie. Dicht tegen elkaar in slaap vallen, zijn warmte. Straalkacheltje in bed, hij was altijd warm. Ik had het altijd koud. Zijn gespeelde gemopper om mijn koude voeten tegen zijn kuiten. Zijn warme rug tegen mijn borst, mijn arm om hem heen. Die moedervlek op zijn linker schouder. Mijn neus in zijn nek.

Ik zuchtte en startte de motor weer. Doorrijden nu, het werd al wat later. De rest zal er allemaal allang zijn. Het dorpje kwam in zicht. Langzaam reed ik over de klinkerweg. Ik maakte een kleine omweg. Ik moest langs zijn huis rijden voor ik naar zijn vrienden ging. Nieuwe gordijnen, een andere auto voor de deur. Met een zucht reed ik door, sloeg rechtsaf en zette mijn auto op de oprit, achter de auto van zijn vriend. Ik zou blijven slapen. Eigenlijk zag ik dat niet zitten, maar ze hadden aangedrongen. Ze hadden ook wel gelijk, het was gekkenwerk om die drie uur nog terug te rijden midden in de nacht. Ik stapte uit, haalde mijn tas van de achterbank. Zijn vriend had de voordeur al opengemaakt. Hij was niets veranderd in het halve jaar dat we elkaar niet meer gezien hadden. Hij lachte naar me. In de hal van zijn huis sloegen we de armen om elkaar heen.
‘Gefeliciteerd,’ zei ik en gaf hem een kus op zijn wang waar hij om moest lachen.
‘Dank je. Gaaf dat je er bent, Wouter.’
Ik glimlachte een keer. Zijn vrouw kwam de hal in lopen. Ze kuste me. Ik feliciteerde haar.
‘Iedereen vroeg zich al af waar je bleef,’ zei ze, ‘hoe is het met je?’
‘Het is een eindje rijden, en ik moest vandaag nog gewoon werken.’
‘Goed je weer te zien. Je ziet er goed uit.’
‘Zoals altijd,’ grapte ik.
Ik had mezelf weer een beetje onder controle. Ik zette mijn tas onder de kapstok en hing mijn jas op. Ik liep achter hen aan de woonkamer in.
’Wouter!’ zei iedereen enthousiast toen ze me zagen.
Ik grijnsde. Warm welkom, ik had ook niet anders verwacht. Vooral normaal doen, niet te moeilijk maken allemaal.
‘Wil je nog koffie, of iets anders.’
‘Ik lus nog wel een bakkie.’
‘Dat dialect van jou blijft ook sterk aanwezig,’ lachte een andere vriend.
‘Problemen mee?’ zei ik overdreven.
Ik gaf iedereen een hand, sommigen stonden op en hielden me even vast. Rustig nou, niet te klef worden.
‘Goed je weer te zien,’ zei Nick, de vrijgezel van het stel.
‘Dank je,’ zei ik en sloeg hem tegen zijn schouder.
‘En dat is jullie nieuwste trots,’ zei ik tegen een andere jongen, de broer van Jack, en knikte naar een baby die rustig in de hoek van de kamer in een babystoeltje lag te slapen.
Hij en zijn vrouw knikten tegelijk. Trots, inderdaad. Tweede kind alweer. Ze deed het goed, de andere lag boven te slapen. Ik ging zitten en keek de groep eens rond. Er waren een paar mensen die ik niet kende, maar aan de blik op hun gezicht te zien wisten ze wel wie ik was. Voorzichtige afstand. Ik kreeg een kop koffie voor me op tafel gezet. Even was het wat stil in de kamer. Indruk. Ik blies een keer en nam voorzichtig een slok. Heet, vers gezet. Het gesprek ging gelukkig al snel verder over het werk van Jack, mijn gastheer. Hij had promotie gemaakt, auto van de zaak tegenwoordig. Ik had het al gezien toen ik die van mij er achter zette. Ik zei niet veel. Liet het gesprek op me inwerken. Ik keek af en toe een keer rond, zag ze allemaal zitten. Als vanouds. Eentje miste ik. Al maanden. Een lege plek in een volle kamer.
‘Jij nog steeds hetzelfde werk?’ haalden ze me uit mijn gedachten.
Ik knikte.
‘Dat gaat steeds beter. Nog even en ik heb ook een auto van de zaak,’ lachte ik.
‘Ik mag het je aanraden,’ zei Jack grijnzend.
Verder wist ik niet veel te zeggen. Zijn afwezigheid slokte me op. Ik dwaalde steeds weer af. Was dit nou wel zo’n goed idee geweest? Opgelaten gevoel. Mijn koffie was op.
‘Nog een “bakkie”, of iets anders?’ lachte Suzanne.
Ik glimlachte. ‘Doe maar iets anders. Wat heb je?’
Ze zuchtte. ‘Gewoon vragen, als ik het niet heb dan zeg ik het wel.’
‘Heb je wijn?’
‘Rood of wit?’
‘Wit, lekker.’
Even later kwam ze terug met een glas en de fles.
‘Verder is het zelfbediening.’
‘Komt goed. Dank je.’
‘Hoe gaat het nou met je?’ vroeg ze toen ze naast me kwam zitten.
De rest praatte gewoon verder.
‘Gaat wel,’ zei ik, wetende wat ze bedoelde. ‘En hier?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Zijn gangetje. Je moet toch verder. Af en toe hebben we het er over, we zijn laatst een dagje uit geweest met zijn allen. En dan missen we jullie.’
Ik glimlachte verlegen, ze zei jullie in plaats van hem. Dat raakte me.
‘Ik ook,’ zei ik.
‘We zeiden nog tegen elkaar dat we jou ook hadden moeten vragen om mee te gaan. Maar we hoorden zo weinig van je.’
‘Beetje zelfbescherming.’
‘Jack en ik hadden het er over en we vonden dat we je moesten uitnodigen vandaag.’
‘Het is leuk om iedereen weer eens te zien.’
‘Je hoort er gewoon bij.’
Ik glimlachte maar weer een keer. Ophouden nu.
‘Buiten, Nick,’ zei ze ineens.
Ik keek op en zag Nick lachen. Hij stond op en liep de tuin in. Zittend op een muurtje stak hij een sigaret op.
‘Daar heb ik nou ook even zin in,’ zei ik.
‘Rook jij?’ vroeg Suzanne verbaasd.
‘Zes jaar gestopt, maar een half jaar geleden om onverklaarbare reden weer begonnen.’
Ze glimlachte, snapte mijn sarcastische grap wel. Ik stond op en ging buiten naast Nick zitten.
‘Je bent er weer.’
Ik knikte.
‘Zij ouders missen je.’
‘Ik weet het. Iedere keer als ik bel vragen ze wanneer ik weer eens op bezoek kom.’
‘Moet je echt een keer doen.’
‘Misschien morgen,’ zei ik. ‘Zie jij ze nog vaak?’
‘Regelmatig. Vooral ook omdat mijn broer verkering heeft met zijn zus. Maar ik ken ze ook al zo lang.’
Nick was zijn vriend van vroeger, al jaren. Ze kenden elkaar vanaf hun lagere school tijd.
‘Hoe gaat het met ze?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Ze zijn jaren ouder geworden. Het blijft onwerkelijk voor ze. Vooral zijn vader kan zich er maar moeilijk bij neerleggen.’
‘Hij zou de zaak ook overnemen.’
‘Dikke streep erdoor,’ zei Nick voor zich uit. ‘Misschien dat zijn zus het nu gaat doen, samen met mijn broer.’
‘Zou mooi zijn, het is een leuke winkel.’
Hij knikte. ‘De verkoop trekt ook weer aan. In het begin hadden mensen op een of andere manier moeite om nog binnen te komen. Wat moet je zeggen tegen de winkelier die zijn zoon kwijt is?’
‘Meen je niet.’
‘Ze leven ineens een stuk geïsoleerder. Ligt ook deels aan henzelf hoor, maar het lijkt wel alsof je een besmettelijke ziekte hebt.’
‘Belachelijk.’
‘Zo gaan die dingen. Maar hoe gaat het nu met jou?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Leeg, het gaat wel. En met jou?’
‘Met mij? Gewoon doorgaan.’ Hij zei het een beetje stuurs.
‘Da’s het enige wat je kunt doen.’
‘Zo is het,’ zei hij en drukte zijn peuk uit. ‘Ik ga naar binnen, het is fris.’
‘Ik ga met je mee.’
Samen liepen we de kamer weer binnen en mengden ons weer in het gesprek van de rest. Suzanne zat weer naast me.
‘Valt me wel van je tegen hoor.’
‘Wat?’
‘Dat je rookt.’
Ik lachte. ‘Ik zou er ook weer eens mee op moeten houden.’
‘Hoe was het met Nick buiten?’
‘Fris,’ zei ik.
‘Dat bedoel ik niet. Zei hij nog iets?’
‘Niet veel. We hebben het even over zijn ouders gehad, en de winkel.’
‘Hij doet er een beetje te luchtig over.’
‘Dat idee kreeg ik niet.’
‘Jack en ik hebben het idee dat hij het verdringt, het allemaal een beetje opkropt.’
‘Zo is ie toch?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Het ziet er te gespeeld uit.’
Ik glimlachte.
‘Hij reageerde nerveus toen hij hoorde dat je weer eens zou komen.’
Ik keek verbaasd. ‘Nick?’
Ze knikte. Onze aandacht werd afgeleid door gelach. Ze zaten Nick een beetje op te jagen, het zou wel eens tijd worden dat hij zich zou gaan binden. Hij protesteerde.
‘Aan mijn lijf geen polonaise, echt niet.’
Ik keek naar hem, we grijnsden. Ik heb het altijd goed met hem kunnen vinden. Ik zag iets in die blik van hem. Gespeeld. Ik keek weer naar mijn glas en nam nog een slok. Ik pakte de fles die bij de poot van de tafel stond en schonk nog een keer in. Nick keek me even aan en maakte met zijn ogen een gebaar naar buiten. Ik knikte glimlachend, samen gingen we naar de tuin en staken er weer eentje op.
‘Dat gezeik altijd,’ zuchtte hij.
‘Wat?’
‘Is weer iets nieuws van ze, Nick moet zich nodig eens een relatie aanmeten.’
‘Is toch maar een geintje?’
‘Jawel, maar af en toe gaat het wel irriteren. Moet ik toch zelf weten?’
Dat was die blik dus. Ik dacht al wat te zien in zijn manier van kijken. Zwijgend zaten we naast elkaar.
‘Niets op het oog dan?’ vroeg ik.
‘Begin jij nou ook al?’
‘Nee,’ lachte ik, ‘ik zit je maar te dollen. Weet jij toch ook wel.’
Hij glimlachte wrang. ‘Steken we er nog eentje op?’
‘Waarom niet.’
‘Ik pak er even mijn glas bij, ik zit hier wel lekker.’
‘Neem de mijne dan ook even mee.’
Nick stond op en liep terug naar binnen. Over mijn schouder keek ik hem na. Wou hij zijn verhaal kwijt? Grijnzend kwam hij terug met de twee glazen in zijn hand.
‘En een commentaar op die vieze rokers,’ lachte hij.
Ik keek naar binnen en zag ze kijken. Ik stak lachend mijn hand op. Nick kwam weer naast me zitten. Samen staarden we voor ons uit, met onze rug naar het huis toe. Mooie tuin. Suzanne’s werk.
‘Hoe is het met jouw huis?’ vroeg ik.
Toen ik er de laatste keer was zat hij midden in een verbouwing.
‘Klaar. Mooi geworden, je moet eens komen kijken.’
‘Moet ik zeker een keer doen.’
‘Dat kennen we van je.’
‘Ja, het wel weer duidelijk.’
‘Sorry.’
‘Geeft niet, je hebt wel gelijk.’
‘Ik kan het me wel voorstellen hoor. Wat dat betreft zou ik misschien wel hetzelfde doen.’
‘Ik voel me er wel eens schuldig over.’
‘Niet doen. Als je het niet aan kunt, moet je het niet doen. Wat dat betreft zou ik het ook wel willen, maar ik kan er hier niet voor weglopen, ik hoor hier thuis.’
Ik keek hem aan, hij staarde voor zich uit.
‘Alles zit vol herinneringen,’ voelde hij me kijken. ‘Is niet altijd makkelijk.’
‘Ik heb even stil gestaan met de auto net, vlak voor ik het dorp in kwam rijden.’
‘De school, zijn ouders, zijn huis. Het boompje dat hij en ik in zijn voortuin hebben gezet toen hij er ging wonen? Omgezaagd.’
‘Kut.’
‘Meteen de eerste week. Als ik het geweten had was ik het er uit gaan halen, had ik het bij mezelf in de tuin gezet.’
‘Nooit geweten dat jullie dat samen hadden gedaan.’
‘Zijn hele huis hebben we samen opgeknapt. Daar zaten heel wat uren in met zijn tweeën.’
‘Weet ik. Heeft hij het vaak over gehad.’
Hij lachte wrang. ‘Maatjes, alles samen.’
‘Zoveel zag ik je toch niet. Hij vond dat het aan het verwateren was.’
‘Zei hij dat ja?’
‘Had hij het best vaak over. Vond hij jammer.’
Nick zweeg.
‘Hij was je zo dankbaar dat jij iedere dag naar het ziekenhuis kwam toen. Hij was blij dat je weer terug was, alles bij het oude.’
Hij zuchtte een keer.
‘Kijk je daar van op?’
Hij haalde zijn schouders op en zweeg. Ik klopte hem een keer op zijn schouder.
‘Weet je,’ zei hij, ‘dat ik in het begin een gruwelijke hekel aan je had?’
‘Aan mij?’ Ik lachte.
Hij grinnikte. ‘Aan jou ja.’
‘Ben ik zo erg?’
‘Nee, je bent een gouden kerel. Maar toen kon ik je niet hebben.’
‘Wat had ik gedaan dan?’
‘Hem ingepikt. Mijn maatje. Ik had ook nooit gedacht dat hij homo zou zijn.’
‘Dat verbaasde iedereen.’
‘Mij ook. Man, wat heb ik gevloekt.’
‘Gevloekt? Als er iemand meteen relaxed mee omging was jij het wel.’
‘Jullie zagen er ook zo blij uit toen. Vreselijk.’
Ik schoot in de lach.
‘Lach niet. Ik werd er gek van.’
Ik schudde nog zachtjes, nam nog een slok.
‘Dit heb ik nog nooit iemand verteld. Je houd je bek he?’
‘Tuurlijk, wat dacht je dan.’
‘Jij eentje van mij?’ Hij hield zijn pakje voor mijn neus.
Sigaret nummer drie. Hij was duidelijk nog niet klaar met zijn verhaal. Hij hield zijn aansteker achter zijn hand voor mijn gezicht. Met een rookpluim die hij schuin omhoog uitblies ging hij verder.
‘Eigenlijk moet ik je dit helemaal niet vertellen,’ zei hij.
‘Waarom niet?’
‘Omdat we er niets mee opschieten als ik het vertel.’
‘Maar het lucht misschien wel op.’
‘Misschien.’
Hij zuchtte en zweeg, staarde voor zich uit. Ineens drukte hij geërgerd zijn halve peuk uit en stond op.
‘Het wordt fris,’ zei hij droog en liep naar het huis.
‘Nick!’ riep ik verrast.
Hij reageerde niet en slofte naar binnen. Traag trok hij de schuifpui achter zich dicht. Ik keek hem na, trok een keer aan mijn sigaret en drukte hem uit. Ik maakte me zorgen. Dit was Nick niet. Ik stond op, rechtte mijn rug en liep naar binnen. Pokerface, glimlachen, vrolijk kijken. Niemand iets laten merken. Nick ontweek mijn blik. Even later stond hij op. Hij ging naar huis.
‘Ga je nou al?’ Suzanne klonk verbaasd.
‘Ik heb koppijn,’ zei hij kortaf. ‘Ik ga naar bed.’
Ik kreeg nog een hand van hem en daarna was hij weg. Ik staarde wat voor me uit. Suzanne zag het toen ze terug de kamer in kwam lopen maar zei niets. Ze kwam naast me zitten en begon over onzinnige dingen te praten. Huis, werk, dat soort dingen die je meteen weer vergeet als ze verteld zijn. Het maakte me niet uit. Eigenlijk wilde ik naar bed. Onmogelijk natuurlijk. Ik kon moeilijk terwijl het feestje nog in volle gang was al naar boven gaan om te gaan slapen. Uitzitten tot het einde. Ik was jaloers op Nick. Die was gewoon gegaan.

Om half twee was iedereen dan toch eindelijk weg. Niet dat het niet gezellig was geweest hoor, maar het werd me allemaal een beetje teveel. Ik miste hem. Ik wilde nu terug met hem naar zijn huis, nog één afzakkertje, zijn warme rug, zijn warme kuiten. Samen met Jack en Suzanne ruimden we alles op.
‘Flink gesprek met Nick net in de tuin?’ vroeg ze.
‘Ging wel,’ zei ik stuurs terwijl ik wat glazen in de vaatwasser zette.
‘Hij was vroeg weg.’
‘Koppijn,’ zei ik spottend.
‘Hij zat niet goed in zijn vel.’
‘Ik weet het niet. Hij was wat geërgerd over de grappen dat hij eens aan een relatie moest beginnen.’
‘Daar moeten ze inderdaad eens mee ophouden.’
‘Dat komt er krachtig uit,’ zei ik verbaasd.
‘Nick is Nick,’ zei Jack die ondertussen de keuken in was gekomen. ‘Leuke broer heb ik hoor, leuke kinderen ook, maar niet iedereen ziet dat als ideaal.’
‘De tweede ook alweer,’ zei ik.
‘En er komen er nog wel meer ook. Moest dat kind nou zo nodig in de woonkamer slapen?’ Hij keek naar Suzanne toen hij dat vroeg.
Ik lachte. Suzanne haalde haar schouders op. ‘Iedereen met het zien toch?’
‘Maar dat wil toch niet zeggen dat iedereen dat zo moet doen?’
‘Laat ze,’ zei ik.
‘Ze vinden ook dat wij eens moeten gaan trouwen. Met steun van mijn ouders trouwens. Samenwonen doe je niet.’
‘Dat kan ook niet goed gaan natuurlijk,’ grijnsde ik. ‘Een wonder dat het nog steeds goed gaat tussen jullie.’
‘Slaap je boven of in de auto?’
‘Jouw auto of de mijne?’
Jack lachte en sloeg tegen mijn schouder. ‘Drinken we er nog eentje?’
‘Eentje dan.’
Hij schonk het laatste restje uit de fles wijn in een glas en zette het voor me neer aan de keukentafel.
‘Toch raar dat Nick het zich ineens zo aantrekt,’ zei Suzanne toen ze er bij kwam zitten.
‘Dat is niets voor Nick,’ zei Jack. ‘Die lacht zoiets altijd meteen weg.’
‘Misschien gaat het toch een beetje bij hem knagen,’ zei ik. ‘Heb ik ook een tijdje gehad hoor. Je kunt wel vol blijven houden dat alleen zijn en vrijheid het beste is wat je kan overkomen, maar als iedereen om je heen ineens zich gaat binden wordt het toch wel stil.’
Jack glimlachte, leunend op zijn ellebogen, flesje bier voor zijn gezicht, turend in de opening. Hij nam nog een slok. Ik gaapte.
‘Die Nick,’ zei Suzanne ineens, ‘dat ie zich daardoor laat raken.’
‘Heeft hij wel eens een vriendin gehad?’
‘Genoeg,’ zei Jack.
‘Ik bedoel relatie, geen one night stands.’
‘Eentje, maar die heeft het niet lang volgehouden. Of hij niet, daar zijn de meningen over verdeeld.’
‘Getrouwd ondertussen, eerste kind op komst. Zie jij het Nick al doen?’ vroeg Suzanne.
Ik schudde lachend mijn hoofd. ‘Nee, niet echt.’
‘En jij?’
‘Kinderen?’ lachte ik.
‘Nee, relatie.’
Jack zei niets, keek me verwachtingsvol aan.
‘Ik moet er nog even niet aan denken.’
‘Te vers?’
‘Ik zou met een enorm schuldgevoel zitten. Alsof ik hem verraad.’
Jack keek weer in zijn flesje. Zijn favoriete houding als hij aan tafel zat te praten. Hij nam nog een slok.
‘Aan de ene kant onzin natuurlijk. Maar ik zou hetzelfde gevoel hebben denk ik. Door dit alles hebben Suzanne en ik het wel eens over gehad, hoe zouden wij daar mee omgaan? Ik zou gek worden, zeg ik je eerlijk. Knap hoe je dat allemaal doet, Wouter, echt.’
‘Zoiets gaat vanzelf. Het gebeurt, neemt je mee.’
‘Maar dan nog.’
‘Je hebt niets te willen, Jack. Je moet op zo’n moment.’
‘Je gaat er wel goed mee om.’
‘Voor de omgeving wel ja. Ik ben hier sindsdien niet meer geweest. Da’s geen toeval hoor. Eigenlijk zou ik morgen ook bij zijn ouders langs moeten gaan. Daar krijg ik nu al buikpijn van als ik er aan denk. Grote kans dat ik morgen gewoon meteen naar huis rij.’
Ze zwegen. Snapten wat ik voelde.
‘Er gaat geen dag voorbij dat ik niet aan hem denk. En zolang ik dat nog doe, moet ik niet aan iets nieuws beginnen. Die kan toch nooit van hem winnen. Wil ik ook helemaal niet.’
‘Hij zei zelf dat je niet alleen moest blijven.’
‘Van wie weet je dat?’
‘Zijn ouders. En ze gaven hem gelijk.’
‘Hij had mooi praten,’ zei ik kort. ‘Alsof dat het makkelijker zou maken.’
Jack keek weer naar de bodem voor hij de laatste slok nam.
‘8 maanden,’ zuchtte ik. ‘En die hebben alles veranderd.’
Ze knikten, allebei. Ik leegde mijn glas, rekte me een keer uit.
‘Hele fles wijn gaat doorslaan?’ Jack lachte.
Ik knikte, staarde wat voor me uit. Ik wilde naar bed. Het was mooi geweest voor deze avond.

Het duurde nog lang voor ik sliep. Nick spookte door mijn hoofd. Ik kon maar niet loslaten dat hij me meer wilde vertellen. Hij zat er niet ver van af, maar deed het toch niet. Ging ineens weer naar binnen. Hij miste hem, net als ik. Maar durfde hij er niet over te praten omdat hij mij geen pijn wilde doen, of kon hij het zelf niet aan? Ik lag alleen in de kamer naast die van Jack en Suzanne. Lief dat ze me hadden uitgenodigd. Leuk ook. Ik was blij dat ik ze allemaal weer eens gezien had. Maar ik miste hem. Zijn warme kuiten, zijn rug tegen mijn borst. Ik duwde mijn gezicht tegen mijn arm. Mijn neus drukte tegen de binnenkant van mijn onderarm die langzaam zijn nek werd. Slapen nu, niet meer nadenken.

Het ontbijt was vrolijk. Opgewekt. Geen kater van de drank, geen kater door de sfeer van alles. Halverwege de middag vertrok ik weer. Met de belofte om snel weer eens iets af te spreken. Voor de eerste keer stemde ik toe zonder angstgevoel. Het was goed zo. De eerste stap was gezet. Ik kon er weer naar toe zonder bang te zijn voor de herinneringen. Ik reed vrolijk het dorp uit, terug naar huis. Niet meer langs zijn ouders. Die stap maakte ik later wel weer een keer. Dat kon ik nog niet aan. Ik wilde naar huis. Met een kleine omweg. Onderweg belde ik Robert. Mijn maatje, door dik en dun. Jammer dat het geen homo is, zeg maar.
‘He, Woutje, hoe is het?’ nam hij vrolijk op.
‘Goed.’
‘Hoe was het?’
‘Gezellig,’ antwoordde ik vrolijk. ‘Ben je thuis vanmiddag?’
‘Voor jou altijd.’
‘Ben ik over een uurtje bij je.’
‘Zie ik je zo,’ lachte hij begripvol.
Glimlachend drukte ik mijn toestel uit. Hij begreep me wel. Niet te sentimenteel over doen, maar wel klaar staan om mijn verhaal kwijt te kunnen. Maatje, door dik en dun. Na iets meer dan een uur reed ik zijn straat in en zette mijn auto aan de kant.
‘Je kijkt opgewekt,’ stelde hij tevreden vast toen ik binnen kwam.
Ik had hem verteld dat ik naar de verjaardag zou gaan. Hij wist dat ik twijfelde of ik het moest doen.
‘Het is me honderd procent meegevallen,’ lachte ik.
‘Gewoon gezellig?’
‘Beetje onwennig in het begin,’ zei ik, ‘maar het was echt gezellig.’
‘Mooi man. Koffie?’
‘Lekker.’
‘Ga je er nou vaker naar toe?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Weet ik niet. Ik zie wel hoe het loopt. Het is toch een eind weg. Maar al zie ik ze hierna nooit meer, ik ben blij dat ik het gedaan heb.’
‘Ben je nog bij zijn ouders geweest?’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Sukkel.’
‘Ik kon het niet, Robert.’
‘Kun je eigenlijk niet maken.’
‘Ik weet het, ik weet het,’ zuchtte ik.
Hij zette een mok voor me neer op de eetbar tussen de woonkamer en de keuken en wreef een keer door mijn haar.
‘Moet je echt een keer doen. Al is het maar voor één keer. Maar ook dat moet je een keer afsluiten.’
‘Jahaa,’ zei ik een beetje ongeduldig.
Robert lachte.
‘Lach maar.’
‘Ik snap het wel. Geef het de tijd.’
‘We bellen af en toe. Ze snappen dat ik nog niet op bezoek ben geweest.’
‘Maar als ze horen dat je dat je daar geweest bent zullen ze zich toch afvragen waarom je niet even bent komen kijken.’
‘Wrijf het maar in, dat had ik zelf ook al wel bedacht.’
‘Ze begrijpen het wel, Wouter. Ik heb ooit maar even met ze zitten praten, maar zover ken ik ze wel.’
Ik glimlachte. Dat deden ze zeker, dat wist ik. Hij had met ze zitten praten na de crematie. Hij had moeten beloven goed op me te letten.
‘Ik heb nog met Nick zitten praten buiten,’ zei ik ineens om het onderwerp een beetje te veranderen.
‘Die halve gare?’ Robert lachte.
‘Die ja.’
‘Mooie gast. Ik heb op jouw verjaardag toen een hele tijd met hem zitten ouwehoeren.’
‘Hij was hetzelfde voor hem als jij voor mij bent. En ook zo’n verstokte vrijgezel.’
‘Ik weet het. En gelijk heeft ie!’
We lachten.
‘Die is er ook nog niet overheen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘We hebben samen in de tuin gezeten, verstoten rokers. Ik merkte dat hij wilde praten, maar ineens kapte hij alles af en ging weer naar binnen.’
Robert keek me betekenisvol aan. ‘Misschien beleef jij alles anders, maar hoe zou jij je voelen als ik ineens er niet meer zou zijn?’
Ik knikte alleen maar. Ik snapte Nick ook wel.
‘Ik kan maar één ding zeggen, Wouter. Blijf contact houden met ze. Niet alleen voor jezelf, maar zij hebben jou ook nodig volgens mij.’
‘Heb je volgens mij gelijk in.’
Robert stelde voor om samen ergens te gaan eten. Daar had ik wel zin in. Geen zin om nu al naar huis te gaan. Het werd een late avond, met veel gelach en lekker eten. Met een vrolijk gevoel ging ik naar huis. Ik nam nog een douche en kroop mijn bed in. Mijn vrolijke humeur stortte in zodra ik mijn lakens raakte. Ik miste hem weer. Ik wilde hem nu bij me hebben. Zijn lichaam, mijn arm om hem heen, mijn neus in zijn nek.
‘Ik hou van je,’ fluisterde ik.
In mijn gedachten zei hij meestal nog wat terug ook. Mopperde over mijn koude voeten, lachte. Maar ik hoorde niets. Ik lag alleen.
‘Ik mis je,’ zei ik zacht.
Geen antwoord. Niet dat ik dat verwachtte, maar het stelde me wel teleur. Hij zou gewoon hier moeten zijn.
‘Zeg eens wat,’ fluisterde ik.
Niets.
‘Alsjeblieft, kom terug?’

‘Jeroen?’
© 2006 Oliver Kjelsson