Trouw (deel 15)

Print Friendly, PDF & Email

Loek was er gewoon niet. Lichte paniek, dat beviel me niet. De eerste twee lessen waren een ramp. Het kon natuurlijk zijn dat hij zich verslapen had, trein had gemist. Ik kon niet wachten tot de eerste pauze, kijken of hij er dan wel zou zijn. Ziggy keek me zorgelijk aan.
‘Bel hem maar,’ zei hij toen we in de eerste paar minuten van de pauze al snel tot de conclusie kwamen dat Loek er echt niet was.
Mijn hart bonkte in mijn keel. Wat ging ik aantreffen? Wat betekende het als hij niet opnam? Ik liet hem overgaan tot aan zijn voicemail, en daarna nog een keer. Ziggy en ik keken elkaar aan. Ik haalde mijn schouders op.
‘Ik weet het niet hoor,’ zei ik twijfelend.
Ziggy staarde zorgelijk voor zich uit. Ik stuurde hem een berichtje. Misschien reageerde hij daar wel op. Misschien wilde hij gewoon niet praten, dat kon ik me goed voorstellen. Een berichtje terugsturen kon altijd.

Niet in die eerste pauze in ieder geval. Geen geluid, geen woord. Om gek van te worden. Diep van binnen had ik wel het vertrouwen dat hij geen gekke dingen zou doen, maar dat wilde ik dan toch wel bevestigd hebben. Tijdens de volgende lessen probeerde ik steeds mijn telefoon stiekem in de gaten te houden. Voor zover dat dat kon. Telefoons mochten niet gebruikt worden in de les. Telefoon in het zicht was zelfs al strafbaar. Ergens in de tweede les moet hij me iets teruggestuurd hebben, want ik zag het toen ik de gang in liep. Ik trok meteen Ziggy aan zijn arm.
‘Hij heeft wat teruggestuurd.’
Ik klikte op mijn telefoon en keek.
“Ik ben ziek.”
Ik liet het aan Ziggy zien.
‘Hm.’
‘Op zich niet raar,’ zei ik, ‘als je zag hoe hij er gisteren bij zat…’
Ziggy knikte.
‘Spreekt hij de waarheid?’ vroeg ik mezelf hardop af.
‘Hoe bedoel je?’
‘Emiel maakte zich zorgen. Of Loek zichzelf niet iets aan zou doen.’
‘Heb ik ook over nagedacht. Ik denk het niet.’
‘Nee…’ zei ik twijfelend voor me uit.
‘Hij zit veilig thuis, Stan. Die ligt echt gewoon ziek op bed.’
Klonk er nou twijfel in zijn stem? Hij glimlachte naar me.
‘Aardige gast,’ zei hij toen.
‘Wie?’
‘Emiel. Dat hij zich zorgen maakt.’
Ik glimlachte.
‘Hij moet echt niets van het geloof hebben hè?’
‘Niet echt.’
‘Ik zag het gisteren aan zijn gezicht toen we die Bijbelteksten er bij haalden voor Loek.’
‘Zonder ons geloof had Loek helemaal geen probleem gehad. Volgens Emiel dan.’
Ziggy grijnsde. ‘Dat jullie een relatie hebben…’
Ik keek de kantine rond. Jacco stond met Oscar en Frank tegen een muur aan. Ziggy knikte hun kant op.
‘We gaan weer eens bij onze oude goede vrienden staan.’
‘Maar…’
‘Zij hebben een probleem, wij niet.’
Voor ik nog iets kon zeggen liep hij al naar ze toe. Ze hadden ons al gezien, ik moest wel mee. Omdraaien zou wel heel raar staan, daar zou ik mezelf echt mee buiten sluiten. Het zou voelen als toegeven.
‘Nog twee uurtje jongens,’ zei Ziggy vrolijk, alsof er niets aan de hand was.
Drie flauwe glimlachen. Jacco keek helemaal ongemakkelijk.
‘Vanmiddag even de stad in voor we naar huis gaan? Veel te lang geleden.’
Ik zag Jacco kijken en snapte ineens waarom hij zo moeilijk keek. Natuurlijk keurde hij het allemaal af, maar daarom keek hij niet zo. We waren jaren goede vrienden geweest, dàt wrong. Hij had werkelijk geen idee hoe hij er mee om moest gaan.
‘Prima,’ zei Oscar.
‘Mooi,’ zei Ziggy. ‘Jacco, Frank?’
Ze haalden hun schouders op. ‘Is goed.’
Ziggy lachte en keek me even aan. Balorig.

Ik voelde me ongemakkelijk. Ik reed naast Ziggy, de rest fietste voor ons. Ziggy glimlachte.
‘Wat lach je?’
‘Je kijkt of je naar de slachtbank gaat.’
‘Zo voelt het ook.’
‘Relax. Jacco voelt zich ongemakkelijker dan jij. Gewoon blijven doen. Alsof er niets aan de hand is.’
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Jullie moeten gewoon weer aan elkaar wennen, dat is alles. Ontdekken dat er eigenlijk niets veranderd is.’
Ik schudde mijn hoofd. Misschien had hij wel gelijk. Ik zette mijn fiets alvast op het station, Emiel was er nog niet. Ik sprong bij Ziggy achterop en lachte toen hij door de winkelstraat manoeuvreerde. Hij remde hard bij de fietsenstalling waardoor ik met mijn hoofd tegen zijn rugzak botste.
‘Lul.’
Ziggy lachte en wachtte tot ik van zijn bagagedrager was gesprongen. We slenterden door de winkelstraat in de richting van de snackbar. Net als anders. Ik liep voorop, Oscar naast me. De rest liep iets achter ons. Ik hoorde ze lachen. Alles normaal, als vanouds. Ik zag Emiel fietsen, hij kwam recht op ons af. Ik schrok er van, keek behoorlijk besluiteloos. Emiel zag het en knipoogde terwijl hij gewoon doortrapte. Hij snapte de situatie wel. Ik knipoogde terug, liet hem gaan. Dat legde ik vanavond wel uit. Geen gedoe nu. Ik had alleen niet op Ziggy gerekend.
‘Hey, Emiel!’
Ik keek verschrikt om en zag dat Emiel hetzelfde deed. Ziggy wenkte hem.
‘Lang niet gezien man,’ zei Ziggy toen Emiel toch maar omdraaide.
‘Ziggy, nee,’ mompelde ik binnensmonds toen ik naar ze terug liep.
Ze gaven elkaar een hand.
‘Vrienden van mij van school,’ ging Ziggy onverstoorbaar verder. ‘Jacco, Frank, Oscar en Stan heb je als een ontmoet.’
‘Hey,’ zei Emiel tegen mij, nog half overdonderd.
We stootten onze vuisten tegen elkaar.
‘We gaan wat drinken, ga je mee?’ vroeg Ziggy. ‘En iets eten waarschijnlijk,’ lachte hij er achteraan.
‘Nah, ik moet verder,’ zei Emiel voorzichtig.
‘Ah, kom op man. Half uurtje.’
Emiel twijfelde, Ziggy trok aan zijn arm. Zijn blik zocht die van mij. Ik haalde kort mijn schouders op. Emiel stapte af.
‘Mooi,’ zei Ziggy. ‘Gaaf.’

Oké, toegegeven, het was gezellig. We zaten met zijn zessen aan een tafel, hamburgers, cola erbij, er werd veel gelachen. Ziggy zat naar Emiel, ik tegenover hem. Jacco zat naast me, en dat voelde goed. Emiel ontdooide langzaam, en daardoor ik ook. Af en toe keken we elkaar aan, nog half verbaasd over de situatie. Ziggy stuurde, Ziggy dirigeerde. Emiel slikte zijn laatste hap door en rekte zich uit. Hij was mooi. Ik nam nog een slok cola. Emiel gaapte, met zijn armen nog omhoog. Ziggy prikte in zijn zij.
‘Ey!’
Ziggy lachte. ‘Moe? Laat geworden gisteravond of zo?’
‘Valt wel mee.’
Hij vouwde zijn handen in elkaar en strekte zijn armen binnenstebuiten voor zich uit. Ik keek naar de binnenkant van zijn handen.
‘Ik zie het,’ zei Ziggy droog.
Emiel schoot even in de lach. Hij frommelde het papiertje van zijn hamburger op en pakte zijn beker met cola. Hij zoog aan het rietje.
‘Hoe gaat het op die vrije school van je?’ vroeg Ziggy.
‘Goed.’
Ziggy zocht, hij gebruikte alles wat hij via mij wist.
‘En het skaten?’
‘Ook nog.’
Emiel worstelde, wilde wat terug zeggen, maar zoveel wist hij niet van Ziggy.
‘Je skate?’ vroeg Oscar.
‘Ja,’ zei Emiel, ‘al jaren.’
‘Stunten ook?’
Emiel keek opgelucht, ontspande. Een onderwerp dat veilig was.
‘Vroeger veel gedaan. Ramps, half pipe. Parkje bij ons in de buurt.’
‘Nu niet meer dan?’
Emiel schudde zijn hoofd, dronk. ‘Ik maak nu vooral tochten.’
‘Waarom ben je daar mee gestopt dan?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Geen zin.’ Hij grijnsde. ‘Op je bek vallen gaat op een gegeven moment ook vervelen.’
Oscar keek enthousiast. ‘Was je goed?’
Emiel haalde zijn schouders op. ‘Mwoh…’
‘Gaaf.’
‘Is het ook.’
‘Wel eens wat gebroken?’
Nu lachte Emiel. ‘Eén keer. Ik dacht na twee keer al dat ik wel een sprongetje kon wagen.’
‘Lijkt me echt gaaf.’
‘Iets breken?’ vroeg Emiel verbaasd. Hij grijnsde. “Vergeet het. Doet gewoon zeer.’
‘Nee, stunten op zich.’
‘Veel oefenen. Maar als dan iets lukt voor de eerste keer…’
‘Kan ik me voorstellen,’ zei Oscar uitgelaten. Alsof hij het zelf meemaakte.
Emiel zoog, zijn rietje slurpte. Hij zette zijn beker met een klap op tafel neer.
‘Jongens, ik moet echt gaan. Vanmiddag nog wat afmaken, ik krijg nog bezoek vanavond.’
Ik kon het niet tegenhouden, ik glimlachte. Emiel stond op, keek me geamuseerd aan.
‘Is goed man,’ zei Ziggy, ‘zie je.’
‘Groeten jongens.’
Hij sloeg Ziggy op zijn schouder, stak daarna zijn vuist naar me uit. Ik bokste er tegen aan.
‘Zie je Stan.’
Hij hing zijn rugzak over een schouder, stak zijn hand op naar de rest en vertrok. Ziggy keek hem na.
‘Gave gast,’ zei hij, ‘relaxed.’
De rest glimlachte.
‘Lijkt me gaaf, dat skaten,’ zei Oscar nog een keer.
‘Dan moet je het uitproberen,’ zei Ziggy.
Oscar lachte.
‘Wat? Als het je gaaf lijkt, moet je het gaan doen.’
Oscar haalde zijn schouders op.
‘Ja. Als je het niet probeert… Denk je dat je het niet kan? Sport voor echte kerels of zo? Die niet bang zijn voor een stootje?’
‘Het is niet helemaal zonder gevaar natuurlijk,’ zei Jacco.
Ziggy lachte. ‘Je moet geen mietje zijn nee. Af en toe een schaafplek schijnt fijn te zijn.’
Jacco en Oscar lachten.
‘Nou ja,’ ging Ziggy verder, ‘het valt ook wel weer mee hoor. Emiel doet het ook.’
Ik slikte. Dat ging hij niet zeggen. Nee, Ziggy, niet doen.
Hij hield zijn mond verder, de rest lachte om zijn grap.
‘Ik ga mijn trein eens halen,’ zei ik voor me uit.
Jacco keek op zijn horloge. ‘Is het al zo laat?’
Ineens leek het alsof we haast hadden, de zooi werd op de dienbladen gegooid, naar de afvalbak gebracht. We gingen vrolijk naar buiten. Zoals altijd. Jacco deed normaal tegen me. Net als de rest. Alsof er niets aan de hand was. Bij de fietsen namen we afscheid. Ik gaf Jacco een vriendschappelijke hand, kort.
‘Zie je morgen,’ zei ik.
Hij glimlachte.

‘Ziggy is gek,’ zei ik na een kus en de vraag “wat was dat vanmiddag?”.
Emiel lachte, deed de deur naar de kamer open. ‘Gave gast.’
‘Hallo,’ zei ik tegen zijn ouders.
‘Hoi Stan,’ zei zijn moeder vrolijk terug.
‘Ik wist echt niet wat er gebeurde,’ zei Emiel terwijl hij twee glazen inschonk. ‘Ik moest even schakelen in mijn hoofd.’
‘Ging goed,’ zei ik, ‘maar ik schrok me kapot toen hij je riep.’
Emiel glimlachte, gaf me mijn glas.
‘Nou, heb je mijn vrienden ook eens gezien.’
Emiel ging aan tafel zitten.
‘Oscar is wel oké geloof ik.’
‘Hij vond jouw skaten wel gaaf.’
Hij lachte. ‘Ja. Die Frank is een stille.’
‘Klopt,’ zei ik na een slok. ‘Die zegt nooit zoveel.’
‘En Jacco?’
‘De beste vriend die ik had,’ zei ik voor me uit.
Emiel keek me veelbetekenend aan.
‘Sinds hij het van me weet zegt hij niets meer. Ziggy is vandaag in de pauze gewoon bij ze gaan staan, en ons meegnomen de stad in. Weer gewoon als altijd, om te laten zien dat er niet veel veranderd is. Dat jij voorbij kwam was toeval.’
‘Maar hij riep me wel.’
‘Ja… ‘
‘Nou ja, pakte goed uit toch?’
‘Ze vonden je gezellig.’
‘Had je dat ooit gedacht,’ lachte hij.
‘Als we je hadden geïntroduceerd als mijn vriend was het anders geweest.’
‘Ik snap Ziggy wel. Eerst mij leren kennen, en als ze weten dat ik oké ben dan komt dat andere wel. Knappe gasten als ze dan ineens anders over me denken.’
‘Dat kan zomaar.’
‘Niet zonder er over na te moeten denken. Meteen een mening hebben, of je mening bij moeten stellen, dat zijn twee verschillende dingen.’
Ik knikte. Op zich had hij wel gelijk.
‘Ik moet het nog zien,’ zei ik voor me uit kijkend.

‘Leuke gast,’ zei Ziggy. ‘Relaxed.’
‘Je krijgt de groeten van hem.’
Ziggy lachte.
‘De rest ook. Hij vond het gezellig.’
Ziggy deed voorovergebogen zijn fiets op slot en keek schuin omhoog naar me.
‘Waarom deed je dat gisteren?’ vroeg ik.
‘Geen idee, ingeving. Waarom ook niet.’
Ik schudde lachend mijn hoofd. Zonder er bij na te denken liepen we naar de rest.
‘Jullie krijgen de groeten van Emiel,’ was het eerste wat hij tegen ze zei.

Ik hoopte wel dat Ziggy het daar even bij zou laten. Ze lachten er wel om, maar voor mijn gevoel zou dat nog wel veranderen als ze er achter kwamen wat voor grap Ziggy uit had gehaald. Jacco deed gelukkig weer wat luchtiger, al was de spanning nog niet helemaal uit de lucht. We liepen samen naar de les, zonder veel te praten. Dat lag ook aan mij, ik wist ook niets te zeggen. In de lunchpauze ging ik bij Frank en Oscar zitten, met nog een paar anderen van de klas. Gewone onderwerpen, gelach. Jacco was er niet bij. Geen idee waar hij was. Na een half uur kwam hij de kantine binnen, met Ziggy. Serieuze gezichten. Ik probeerde er geen aandacht aan te geven, zeker niet waar de rest bij was, maar die twee hadden gepraat, dat kon niet missen. Frank en Oscar hadden niets in de gaten. Of ze lieten niets merken, dat kon natuurlijk ook. Ik keek de kantine rond. Loek was er nog steeds niet.

Ziggy reed met me mee, richting het station. Gelukkig, ik wilde weten wat er besproken was.
‘Ik heb met Jacco gepraat,’ begon hij overbodig.
‘Dat zag ik.’
Hij glimlachte. ‘Ik wilde weten hoe het zat. Wat de roddels nou waren.’
‘En?’
‘Niet veel. Echt. Er was een keer een grap gemaakt over jou en Loek, zeker na die sponsortocht. Jullie beleven wel heel dicht bij elkaar, en dan nog tegelijk douchen… Het viel gewoon op. Maar dat was het. Meer niet, de meesten waren het alweer vergeten.’
‘Behalve Jacco.’
‘Nou, hij op zich ook. Totdat jullie dominee je apart begon te nemen. En jij was de laatste tijd wel erg stil en in gedachten. Hij heeft dingen gewoon opgeteld Stan, meer niet. Je bent een vriend van hem. En hij van jou. Dat soort dingen vallen dan op, heel gek.’
‘En Loek dan?’
Ziggy haalde zijn schouders op. ‘Die zit redelijk buiten schot. Tenminste, de grappen van een tijdje geleden kwamen wel weer even naar boven na dat gedoe bij jouw kerk met die dominee.’
‘Dat hebben er genoeg gezien ja.’
‘Jacco heeft niets verteld. Echt niet. Maar één en één is twee. Mensen trekken hun conclusies.’
‘Ik doe die vent nog eens iets,’ mopperde ik.
‘Voor zover ik het begrijp van Jacco is de storm wel zo’n beetje overgewaaid. Er gebeurt niets, er is niets aan jou te merken.’
‘En Loek?’
‘Al helemaal niet. Jullie waren al niet meer bij elkaar.’
‘Wat vindt Jacco er nou verder van?’
‘Dat moet hij jou zelf maar vertellen.’
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Ey, dat moeten jullie maar uitpraten. Ik ben geen postbode.’
‘Vertel nou.’
‘Je kunt zijn mening wel raden, Stan. Praat met hem.’
‘Heb je hem nog iets over Emiel verteld?’
‘Nee, niets.’ Hij glimlachte. ‘Ook dat vertel je hem zelf maar.’
We waren al bij het station aangekomen.
‘Kijk es wie we daar hebben,’ lachte Ziggy.
‘Waar?’
‘Bij de ingang van de fietsenstalling, hij rijdt net weg.’
Ik keek en zag Sjoerd nog net staand op zijn pedalen vaart maken.
Ik grijnsde. ‘Volgens mij, als ik opschiet, kom ik Sarah nog tegen beneden.’
Ziggy lachte. ‘Grote kans.’
‘Ik zal even wachten, anders krijg ik weer op mijn donder dat ik haar in de gaten hou.’
‘Dat doe je ook, grote broer.’
Ik gaf Ziggy plagerig een duw. ‘Ik ga. Emiel zal al boven zijn denk ik.’
‘Doe hem de groeten.’
‘Is goed.’ Ik wilde doorfietsen maar remde. ‘Ziggy?’
Hij keek weer om.
‘Wat doen we met Loek? Zal ik hem bellen?’
‘Praat eerst met Jacco.’
Ik knikte en zwaaide. Fiets weg zetten, naar het perron en Emiel zoeken. Ik wilde even dicht tegen hem aanhangen. Als Sarah niet in de buurt was tenminste.

Jacco deed ongemakkelijk. Natuurlijk wist hij dat Ziggy me van hun gesprek had verteld. Natuurlijk wist hij dat ik met hem wilde praten. Goed, ik was ook wel nerveus. Ik wachtte tot de lunchpauze. Jacco was echter snel, hij was al voor mij het lokaal uit. Ik rende achter hem aan.
‘Jacco!’
Hij draaide zich om.
‘Wacht.’
Ik haalde hem in.
‘Ga even mee naar buiten. Ik moet je wat vragen.’
Het klonk dom, maar hij snapte me wel. Hij pakte zijn jas, liep nar een plek waar het rustig was. We liepen Sarah voorbij, met Sjoerd vlak bij haar. We keken elkaar even aan. Ik keek strak, door de zenuwen, maar zij pakte dat anders op. Strakke blik terug. Jacco liep door, keek even om toen ik volgde. Hij ging zitten, haalde zijn broodtrommel uit zijn rugzak. In een zijvak zat een flesje water. Hij nam een hap en keek naar Sarah.
‘Heeft ze nou een vriendje?’
‘Het lijkt er op.’
‘Oké?’
‘Volgens mij is hij wel een geschikte gast. Ziggy kent hem beter dan ik.’
‘Vind je het goed?’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik denk het.’
Jacco keek weer een keer naar ze.
‘Wat zou jij doen als het jouw zusje was?’
‘Geen idee,’ zei hij terwijl hij nog keek. ‘Kijken of het wel een geschikte gast is. Dat hij haar niet… Weet ik veel. Als hij maar oprecht is, denk ik. Het met haar meent.’
Ik glimlachte. ‘Ik doe hetzelfde. En eigenlijk, heb ik er wel iets over te zeggen?’
‘Het is haar keus bedoel je?’
‘Ja. Ik kan haar waarschuwen als ik mijn bedenkingen heb, maar verder is het haar keus.’
‘Heb je gelijk in.’
‘Jij zou hetzelfde doen.’
Hij glimlachte. ‘Ja, denk het wel.’
‘En met mij?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je weet heel goed wat ik bedoel.’
‘Dat is anders Stan.’
‘Waarom?’
‘Wat jij doet kan niet. Het gaat tegen alles in.’
‘Dat is mijn afweging.’
‘Maar… Hoe kun je het doen? Het gaat tegen alles in wat we geleerd hebben. Het staat zelfs beschreven Stan. Eerlijk, ik vind het heel vervelend voor je, dat je zo bent. Kun je misschien niets aan doen. Maar dat jij je er niet tegen wil verzetten… Dat snap ik niet.’
‘Wat moet ik dan? Mijn hele leven alleen blijven?’
‘Als dat jouw opdracht is…’
‘Jacco, schei uit. Dat hou je niet vol. En ik weet zeker dat het kan. Ik kan het me verantwoorden.’
Jacco schudde zijn hoofd.
‘Jacco, je hoeft het niet met me eens te zijn hierover. Leef je leven zoals jij wil. Maar ik doe dat op mijn manier. Ik wil je alleen één ding vragen.’
Hij keek me vragend aan.
‘We zijn jaren vrienden geweest. Is dat dan allemaal voor niets geweest? Stelde dat dan allemaal niets voor? Veroordeel me niet, Jacco. Dat doen er al genoeg.’
‘Blijf je nog wel naar de kerk gaan?’
‘Als het aan mij ligt wel.’
‘Maar?’
‘Als de dominee me met rust laat verder. De laatste keer, toen jij daarna naar buiten kwam…, ik neem hem kwalijk dat hij me bijna openbaar voor schut zette. Dat had hij nooit zo mogen doen.’
‘Hij wil het beste voor ons Stan.’
‘Het beste voor mij is als hij dat onderwerp laat rusten. Zijn waarheid is niet de enige waarheid Jacco.’
Hij haalde zijn schouders op.
‘Wat denk je?’
‘Ik weet niet wat ik moet denken Stan. Je doet iets fundamenteel fouts, in mijn ogen. Ik kan daar niet zomaar overheen stappen.’
Ik stond op, half kwaad. ‘Jammer.’
‘Hoe zit dat nou met die andere jongen hier, die Loek?’
‘Die vecht, zoals jij vindt dat het hoort,’ antwoordde ik dwars. ‘Daarom zit hij nou ziek thuis. Ik bedank jullie daarvoor.’
Ik heb hem zo laten zitten. Ziggy kwam naar me toe in de kantine.
‘Ik wil het er niet over hebben,’ zei ik kortaf. ‘Hij zoekt het maar even uit.’
Ziggy mopperde iets, en ging daarna naar buiten. Ik wist waar naar toe, maar ik had even de kracht niet om hem tegen te houden.

En opnieuw bonje thuis. Ik had er geen zin in, ik wilde weg. Ik moest mijn verhaal kwijt na dat gesprek met Jacco. Het zal me niet lekker, en ik zag hem zondag in de kerk pas weer, ook geen plek om nog even serieus door te praten met iedereen. De discussie thuis begon die vrijdagavond net na het eten. Ik wilde een rondje gaan lopen en bij Emiel langs, maar mijn ouders kwamen met een simpele mededeling.
‘Wij gaan morgen een dag weg, dus jullie blijven thuis.’
Sarah schoot meteen vuur uit haar ogen. ‘Waarom?’
‘Omdat wij willen dat je thuis blijft, jongedame.’
‘Maar…’
‘En Stan blijft thuis om hier op je te letten. Je bent nog te jong om alleen te blijven een hele dag.’
Ik zuchtte protesterend, maar de blik van mijn vader zei genoeg. Daar ging mijn dagje met Emiel.
‘Ik kan best voor mezelf zorgen,’ mopperde Sarah.
‘O, je zult niet omkomen van de honger,’ smaalde mijn vader. ‘Maar voor de rest van jouw gezondheid is je broer hier.’
‘Ik ga echt niet de hele dag met hem in één huis zitten, alleen.’
Ik zuchtte en keek even naar het plafond. Ze ging het op de spits drijven en dat was het slechtste wat ze kon doen. Dat moest ze nou toch onderhand wel weten.
Mijn vader hapte meteen. ‘Dat doe je dus wel! En waag het niet daar onderuit te komen. Stan is hier om dat te controleren.’
Hij wierp een blik mijn kant op.
‘Ik wou morgen de stad in,’ wierp ik voorzichtig tegen.
Er schitterde wat hoop in Sarah’s ogen.
‘Je blijft op jouw zus passen.’
‘Pap, kom op. Ik moet wat dingen halen. Waarom moet ik boeten voor haar?’
‘Dan neem je haar maar mee.’
Ik haalde mijn schouders op. ‘Mij best.’
Nu protesteerde ze helemaal. ‘Ik ga echt niet met hem de stad in hoor.’
‘Stan moet dingen halen in de stad, jij blijft niet alleen dus je gaat met hem mee. Basta!’
Ze draaide zich kwaad om, klapte de deur dicht en stampte de trap op. Mijn vader wilde opstaan maar ik was hem voor. Ik ging de gang in, naar boven. Haar kamerdeur was dicht. Ik klopte kort en deed hem open.
‘Rot op.’
‘Sarah…’
‘Donder op!’
‘Kan het zachter daar boven?’ Mijn vader onder aan de trap.
‘Ja, sorry,’ zei ik braaf terug.
Ik deed haar kamerdeur achter me dicht en keek haar aan. Ze wilde weer wat roepen maar ik legde mijn wijsvinger tegen mijn mond.
‘Sst. Ik kan hier ook niet om lachen. Maar je weet hoe ze zijn, hier komen we niet onderuit. Jij gaat gewoon mee de stad in morgen.’
‘Echt niet,’ mompelde ze mopperend.
‘O jawel, als ze er achter komen dat ik weg ben gegaan en jij gewoon hier bent gebleven hebben we allebei een probleem. Jij gaat gewoon mee.’
Ze keek me vernietigend aan. ‘Jij windt dit nog leuk ook hè?’
Ik glimlachte. ‘Ja. Ik ga morgen met Emiel de stad in. Nee, daar heb ik jou niet bij nodig. We nemen de trein van half elf. Zorg dat je klaar staat, je moet mee. En als ik jou was zou ik Sjoerd bellen.’
Ik deed de deur achter mijn rug weer open en liep achteruit de overloop op. Ik knipoogde. Ze keek me met grote ogen aan. Grijnsde ze nou?
© 2013 Oliver Kjelsson