Uit beeld (deel 16)

Print Friendly, PDF & Email

‘Godverdomme Jarno.’
Ja, hij was kwaad. Ik had eerst nog een beetje zitten ontkennen dat er iets was, maar toen hij vroeg of het met Stijn te maken had, of ik hem weer gezien had kon ik niet meer terug. Hij zag zelf ook wel dat hij goed gegokt had.
‘Wist je dat hij daar zou zijn?’
‘Nee. Hijzelf ook niet. Hij had zelfs nog gekeken of Ruben mee zou gaan, want dan zou hij zich niet als vrijwilliger opgeven. Lisanne had Ruben pas later op de lijst laten zetten.’
‘Ja ja.’
‘Dan geloof je het niet,’ mokte ik.
‘Jarno, kom op, dit is allemaal wel heel toevallig.’
‘Vraag het aan Jurre, als je me niet gelooft.’
‘Wat denk je nou zelf. Die jongen is gewoon niet te vertrouwen, je kent hem toch? Wat die allemaal niet gedaan heeft… Die leeft van leugens volgens mij. Dit was gewoon zijn plan.’
Ik keek verstoord. ‘Met wat voor reden?’
‘Om jou terug te krijgen.’
‘Doe normaal Wijnand.’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Zit ie nog steeds aan de drugs?’
‘Heeft ie nooit aan gezeten.’
‘En jij gelooft dat? Hij hing in dat park rond, dan weet je toch genoeg. Ik wil niet weten wat hij er allemaal nog meer uitspookte.’
‘Begin er dan ook niet over.’
‘Die gast is gewoon niet normaal. Echt, ik snap niet waarom je met hem omgaat.’
‘Nee, generaliseer gerust nog even verder,’ bitste ik.
Hij werd nu echt kwaad. ‘Ik moet het maar normaal vinden? Jij bent er al een hele week stil van. Ik weet echt genoeg Jarno. Ik vraag het nog één keer: wat is er gebeurd?’ Hij praatte hard. Dwingend. ‘Laat ook maar,’ zei hij voor ik kon reageren. ‘Ik wil het eigenlijk ook niet horen.’
Ik zei niets, keek hem alleen maar aan.
‘Hij heeft gewoon geprobeerd je te versieren,’ ging hij verder. ‘En dat hoef ik Jurre niet te vragen. Die gast is gluiperig genoeg om dat te doen op een manier zodat Jurre niets doorheeft. Beetje de gezellige jongen uit hangen maar ondertussen. God wat ben jij naïef. Hij zit je te versieren waar je bij staat en je hebt het zelf niet eens door.’
‘Doe nou eens rustig man.’
Wijnand keek woest.
‘Je doet onredelijk, wat je zegt slaat nergens op.’
‘Ik ben onredelijk? Jij niet? Je praat goed wat die gast allemaal doet en gedaan heeft? Schei toch uit man. Die jongen is alleen maar problemen.’
Nu was ik er klaar mee. ‘Hij kan anders wel goed met Ruben omgaan. Die is meteen vrolijk als hij hem ziet. En met de anderen daar. Hij is zorgzamer dan je denkt.’
Wijnand schudde zijn hoofd. ‘Heb je nog met hem afgesproken?’
‘Nee,’ zei ik nog steeds kwaad.
Ik liep naar de deur en ging de gang op. Karlijn keek me vragend aan.

Ik had op zich gelijk: ik had niets met Stijn afgesproken. Maar dat was ik wel van plan. Ik wist nog niet wanneer, ik wilde het allemaal even laten bezinken. De sfeer in huis werd er niet beter op zo. De eerste gedachte na die woordenwisseling met Wijnand was simpel: Ik ga bij hem weg en naar Stijn. Doei. Maar als ik daar wat langer over nadacht dan werd ik erg onzeker. Het was makkelijk gezegd, maar om die knoop zomaar door te hakken dat kreeg ik niet voor elkaar. Ik hield Stijn een beetje op afstand, reageerde niet meteen op zijn berichtjes, puur om na te kunnen denken. Ik had nu een hele tijd wat met Wijnand, en dat gooide je niet zomaar weg. Ik probeerde ook om het allemaal te vergeten, gewoon door te gaan met mijn leven met Wijnand. Dat lukte maar half. Wijnand was kwaad en dat liet hij duidelijk merken. Hij vertrouwde mij niet meer. Had hij gelijk? Was Stijn echt zoals hij zei? Had Stijn het echt zo gepland allemaal, om mij terug te krijgen? Ik kon het me niet voorstellen, maar als het zo was dan was ik wel teleurgesteld, kwaad op hem zelfs.

‘Wijn, ik ben er niet vanavond.’
‘Niet?’
‘Ik ga vanmiddag naar Ruben, daarna naar mijn ouders.’
‘Oké.’
Ik kreeg nog een kus van hem. Daarna ging ik naar het station. Met een missie. Stijn wist dat ik kwam, ik had hem gevraagd of hij tijd had. Gewoon om gezellig wat te gaan drinken. Onzin natuurlijk, ik wilde hem zien en met hem praten. De berichtjes via de telefoon waren de laatste paar dagen redelijk normaal. Geen kusjes meer, gewone berichtjes. Ook niet meer elke dag. Dat gaf wel wat rust, maar niet genoeg. Ik miste ze en dat zat me dan weer dwars. Ik had hem nog één keer gezien na de korte vakantie van Ruben. Raar, ongemakkelijk, vooral ook omdat hij afstand hield, opvallend voorzichtig was in zijn doen en laten. Maar het voelde goed, vertrouwd.

Ruben was blij om te zien. Hij lachte, kraaide. Lisanne bekeek hem tevreden.
‘Gaat echt goed met hem,’ zei ze.
‘Gelukkig wel.’
‘Zeker na die week en sinds Stijn af en toe weer op bezoek komt.’
Ik glimlachte. ‘Hij doet wonderen.’
Lisanne grinnikte spottend.
‘Jullie doen wonderen.’
‘Ja, ja…’
‘Ja!’ lachte Ruben.
‘Zie je nou wel? Ruben zegt het zelf.’
Ik stond op. ‘Het is goed met jullie. Tijd voor yoghurt.’
Ruben keek verwonderd, strekte zijn hand naar me uit. ‘Ah!’
‘Ik ga yoghurt halen,’ zei ik rustig, ‘ik ben zo terug hoor.’
Hij keek me na, alsof hij me niet geloofde. Bij de keuken lachte ik nog een keer naar hem.
‘Ja!’
‘Ja, yoghurt,’ riep ik terug.
Ik keek in de koelkast, pakte er een bekertje uit en trok een la open om een lepel te pakken.
‘Ja!’ hoorde ik hem enthousiast roepen.
‘Ruben!’
Ik glimlachte, dat was de stem van Stijn. Ik liep terug de kamer in en glimlachte naar hem.
‘Wat ben je vroeg?’
‘Ik kon wat eerder weg.’
Ruben was door het dolle heen. Hij kraaide weer, graaide met zijn armen.
‘Rustig, rustig,’ lachte Stijn met een kus.
‘Ja!’
‘Zeg, wat is dat nou? Ik wil wel een kus terug hoor!’
‘Ja!’
‘Nou? Geef dan?’
Stijn boog voorover en gaf hem nog een kus. Ruben probeerde er een terug te geven. Ik was gaan zitten en roerde lachend met de lepel in het bekertje.
‘Yoghurt!’ zei Stijn.
‘Ja!’
Ik plaagde hem toen hij eindelijk naar me keek. Pakte de eerste hap zelf. Ruben lachte protesterend, strekte zijn hand naar me toe.
‘Nou, komt ie.’
Ruben nam een hap maar deed meteen weer lachend zijn mond open. Ik schraapte met de lepel over zijn kin naar boven. Stijn lachte. Ruben wilde niet echt meewerken maar hij werkte het uiteindelijk toch naar binnen. Hij was uitgelaten. Hij lachte, speelde met mijn hand of met die van Stijn en bleef ons ondertussen goed in de gaten houden. We zaten dicht bij elkaar, keken af en toe. Stijn glimlachte dan, ik glimlachte terug. Ruben vond het allemaal prima. Hij had zijn hand vast en kneep.
‘Au!’ zei Stijn gespeeld.
Ruben lachte.
‘Harder Ruben,’ plaagde ik.
‘Welja, ga hem helpen.’
Ik legde mijn hand op die van Ruben en kneep mee. Ruben lachte, Stijn probeerde zijn hand terug te trekken. Ik liet los, Ruben graaide en wreef over tafel. Mijn hand lag op die van Stijn. Ruben keek en lachte. Ik kneep zachtjes, Stijn trok langzaam zijn hand terug.

Buiten stak hij meteen een sigaret op. Ik glimlachte er om. Hij haalde zijn fiets uit het hok.
‘Band is opgepompt.’
‘Attent.’
Hij grijnsde. ‘Zo ben ik.’
Ik sprong achterop en liet me door de stad rijden, kijkend naar zijn rug, zijn billen op het zadel en zijn bewegende benen. Hij reed snel, in de binnenstad slingerde hij behendig overal tussendoor, waardoor ik hem af en toe moest vasthouden om er niet af te vallen. Niet erg. Hij remde stevig voor zijn huis. Ik sprong er af, hij zette zijn fiets vast in het rek en deed de deur open. Ik liep achter hem aan de trap op, zijn kamer in. Niet veel later klopte er iemand op de deur.
‘O, je hebt bezoek, sorry,’ zei een jongen nadat Stijn de deur open had getrokken.
‘Geeft niet,’ zei Stijn.
‘Ik kom later wel terug.’
‘Nee, maakt niet uit, wat wou je vragen?’
‘Hoe het nu gaat, na gister.’
‘Geen idee. Hetzelfde denk ik.’
‘Oké, als er wat is…’
‘Dan roep ik,’ glimlachte Stijn. ‘Bedankt.’
Ik keek hem verbaasd aan toen de deur weer dicht was. Stijn keek terug en zuchtte.
‘Mijn vader. Gisteravond werd ik gebeld, ze hebben hem opgepakt.’
‘Wat?’
‘Gedronken, ruiten eruit bij de buren, buurman flinke hoofdwond… Een hoop gedoe. Hij zit veilig vast nu.’
‘Jezus.’
Stijn haalde zijn schouders op. ‘Het is zo. Ik ben allang blij dat ze meteen de politie gebeld hebben en hem meegenomen hebben. Als hij echt door het lint gaat… Nou ja, je kent de verhalen.’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Hoe gaat het nu?’
‘Geen idee. Hij zit vast, nuchter worden. Daarna gaat hij gedwongen een kliniek in denk ik. Ze hebben me gister gebeld, toen de politie in de straat was had hij zich opgesloten in huis. Of ik hem tot bedaren kon brengen.’ Stijn lachte schamper. ‘Ik heb een paar minuten door de brievenbus geroepen maar dat hielp niet echt. Ik heb ze gewaarschuwd dat hij met meubels kon gaan gooien als ze naar binnen zouden gaan. Ik heb de sleutel omgedraaid, deur open gemaakt en dekking gezocht. Vier man naar binnen, een hoop gevloek… Ik heb excuses aangeboden aan de buren, maar die vonden het alleen maar erg voor me.’ Hij keek me aan. ‘Ze zeiden trouwens dat ik er goed uitzag, waren blij dat het goed met me ging.’
‘Je praat alsof het je niets doet.’
‘Die lul doet me ook niets. Hij is zo, klaar. Ik vind het kut voor de buren. Ik ben er weg, klaar ermee. Maar zij wonen er naast, naast die tikkende tijdbom.’
‘Maar ze bellen je wel, of je wil komen.’
‘Dat is het minste wat ik kan doen voor de buren.’
Ik keek nog steeds half geschrokken naar hem.
‘Ik ben blij dat ik zo niet ben,’ zei hij stellig.
Ik glimlachte.
‘Daarom drink ik ook alleen in gezelschap. Biertje?’
‘Lekker,’ zei ik twijfelend.
‘Ik wil het er verder niet over hebben, oké? Hij doet maar en het is redelijk goed afgelopen.’
‘Oké.’
We proostten.
‘Wel lief van jouw huisgenoot dat hij even komt kijken hoe het met je gaat.’
‘Is het ook.’
‘Leuke jongen.’
Stijn grijnsde. ‘Leuk? Goddelijk. Hetero, dat dan weer wel helaas.’
We lachten.
‘Hoeveel tijd heb je?’
‘De hele avond.’
‘Mooi, ga ik iets lekkers koken.’
‘Zeg ik geen nee tegen. Kan ik helpen?’
‘Ja, met afwassen naderhand.’

‘Hoe gaat het verder met je?’ vroeg ik met een theedoek in mijn hand.
‘Goed hoor.’
‘Echt?’
Hij glimlachte. ‘Ja. Met jou?’
‘Gaat wel.’
‘Dat vermoeden had ik al. Vertel.’
‘Gewoon, wat twijfels af en toe.’
‘Waarover?’
‘Wijnand.’
Hij gaf me een pan. ‘Wijnand? Hoe komt het?’
‘Ik weet niet, gaat niet helemaal goed de laatste tijd.’
‘O?’
‘Ja, leuke jongen tegengekomen…’
‘Wijnand?’
‘Nee, ik.’
Hij waste gewoon door, met een glimlach. ‘O?’
‘Ja, en dat weet Wijnand. Hij doet er moeilijk over, jaloers.’
‘Is niet gek toch?’
‘Nee, op zich niet. Ik was ook stil, in gedachten vaak, hij ging vragen stellen.’
‘Stil, in gedachten? Dat moet dan wel een heel erg leuke jongen zijn.’
‘Is hij ook,’ zei ik.
Stijn hield op met afwassen en keek me aan. Ik bleef naar de pan in mijn handen kijken. Hij was al droog.
‘Jarno, wat wil je?’
‘Weet ik niet. Jou?’
Stijn zuchtte.
‘Hangt ook een beetje af van wat jij wil.’
‘Wat ik wil doet er niet toe.’
‘Stijn… Ik…’
‘Jarno, kijk uit wat je doet. Je hebt al een hele tijd iets met hem, anderhalf jaar. Kijk uit wat je nu gaat zeggen.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik je terug wil, lul. Maar zolang jij iets met Wijnand hebt en daar gelukkig mee bent ga ik je dat niet zeggen. Maar ga me niet uitdagen.’
Hij ging weer door met afwassen. Laatste pan.
‘Zou dat weer werken, tussen ons?’
Stijn schrobde met een schuursponsje.
‘Het was toen wel een aparte situatie,’ ging ik verder.
‘Ja. En nu is de situatie veel beter. Ik denk dus dat het alleen maar beter zou kunnen gaan. Je weet waarom ik toen verdwenen ben. Dat ging niet meer, maar dat is nu ook voorbij.’
Ik nam de pan van hem over. Stijn ruimde zijn kleine aanrechtje verder op. Ik droogde af, diep in gedachten.
‘Wat denk je nu?’
Ik zette de pan op de andere. ‘Geen idee.’
Stijn lachte schamper. ‘Typisch jou dit.’
‘Wat?’
‘Beslissingen nemen blijft moeilijk.’
‘Zeg!’
Hij lachte. ‘Geeft niet. Maakt wie je bent. Ik vind het wel wat hebben.’
Voor ik het wist had ik een kus op mijn wang. Meteen daarna bukte hij om de pannen weg te zetten.
‘Je hebt wel gelijk.’
‘Ik ga je niet onder druk zetten. Jij moet zelf beslissen. Je weet nu hoe ik er over denk, het is verder aan jou.’
Ik zuchtte.
‘Ik ga koffie zetten. Jij ook?’
‘Lekker.’
‘Twee koffie. Heb je nog snel besloten dit.’
‘Leuk Stijn, erg leuk.’
Hij lachte. ‘Ik plaag je maar. Het is ook niet gek dat je twijfelt. Weet Wijnand dat je hier bent?’
‘Nee. Ik ben bij mijn ouders.’
Stijn grijnsde en gaf me een dampende mok.

‘Ik ben een rare,’ zei Stijn terwijl ik tegen hem aan hing. ‘Verleden, diepe dalen. Het heeft me getekend, Jarno. Weet waar je aan begint. Wijnand is veilig, normale jongen, prima ouders. Ik ben van de buitencategorie, iedereen gaat je voor gek verklaren.’
‘Nou en?’
Stijn glimlachte. Voor hij kon reageren gaf ik hem een kus.
‘Ik weet het en het maakt me niets uit.’
Ik kreeg een kus terug. ‘Lief van je.’
‘Ik ben een lul.’
Stijn schoot in de lach. ‘Waarom?’
‘Ik weet wat je voor me voelt, en ik ga nu gewoon tegen je aanhangen, geef je een kus.’
‘Dat mag, vind ik niet erg.’
‘Ja maar….’
Stijn hield me tegen. ‘Als het me teveel wordt dan duw ik je wel weg hoor.’
Ik bleef tegen hem aanhangen en sloot mijn ogen. Stijn sloeg zijn arm om me heen en hield me stevig vast.
‘Gekkie.’
Ik grinnikte. Hij streelde mijn arm. Niet erg. Ik voelde een kus op mijn haar. Ik kreunde zachtjes. Ik draaide wat, keek schuin omhoog en tilde mijn hoofd wat op. Ik wilde een kus. Zijn lippen raakten voorzichtig die van mij aan, ik hapte en hield zijn onderlip beet met mijn mond. Nog een keer. Ik duwde me iets omhoog en kuste hem, likte langs zijn lippen. Zoenen, zijn vingers in mijn rug gedrukt. Ik kneep in zijn bovenbeen. Wijnand bestond even niet meer.

Voor even dan. Toen Stijn was opgestaan om twee blikjes bier te pakken piepte mijn telefoon. Berichtje van Wijnand.
“Alles goed met je ouders?”
“Alles prima,” stuurde ik terug.
Stijn gaf me mijn blikje en keek me aan.
‘Controle?’
‘Het lijkt er wel op.’
Hij glimlachte en kwam naast me zitten. Iets meer afstand.
‘Na dit biertje moet ik echt gaan,’ zei ik, ‘anders mis ik de laatste trein nog.’

Ik was kwaad. Het was overduidelijk waarom Wijnand dat berichtje had gestuurd. Die wou toch even controleren of ik wel bij mijn ouders was. Dubbel, ik was er kwaad over maar eigenlijk had hij het gewoon bij het rechte eind. Hij had met dat berichtje wel iets bereikt: er was verder niets meer gebeurd, op een kleine kus bij de deur na. Wijnand lag al in bed toen ik thuis kwam. Er werd niet veel gezegd. We wisten allebei waarom hij dat berichtje gestuurd had.

Een week later in het weekend ging ik weer bij Ruben langs. Mijn ouders zouden er ook zijn, dat wist ik. Ik had mijn moeder nog gesproken. Ruben was vrolijk, reageerde goed op mijn ouders, ook toen ik er bij was. Hij liet zich geduldig zijn yoghurt voeren, zonder al teveel te knoeien.
‘Het gaat goed hé?’ zei mijn moeder tegen hem, maar eigenlijk tegen mij.
‘Zeker, die vakantie heeft hem goed gedaan.’
Mijn moeder glimlachte.
‘Of niet dan, Ruben?’ vroeg ik.
‘Ja!’
‘Ik was hier vorige week,’ zei mijn moeder, ‘toen was hier een jongen van het tehuis. Die ging zo leuk met hem om. Hij kon alles met hem doen. Alsof ze de grootste maatjes waren.’
Ik keek meteen met een schuine blik naar Lisanne. Die knipoogde. Ik schakelde in mijn hoofd. Wat moest ik zeggen?
‘Heb jij hem ook al eens ontmoet?’ vroeg mijn moeder. ‘Hoe heette hij ook alweer?’
‘Stijn? Van de keuken?’
‘Ja, Stijn, dat was het. Werkt hij in de keuken?’
‘Ik knikte. Is ook mee geweest die week.’
‘Aardige jongen. En zo lief ook voor ze.’
‘Zeker weten.’
Ze glimlachte naar me. Mijn god, wat had hij gedaan? Waarschijnlijk was hij gewoon even naar Ruben geweest en was toen mijn moeder binnen komen lopen. Hij zal wel gezweet hebben.
‘Ja!’
Ik keek meteen naar Ruben, mooie afleiding. Ik pakte zijn hand. ‘Ja!’
Hij kraaide lachend. ‘Ja!’
Ik lachte en knuffelde hem.
‘Echt, dat was een heel aardige jongen,’ hoorde ik achter me.
Ik zat te dollen met Ruben, mijn vader keek alleen maar. Geneerde hij zich nou? Hij keek een beetje schuin naar het andere bezoek. Ik liet me er niet door tegenhouden. Ruben kreeg zijn dolle vijf minuten. Hij knuffelde me, sloeg me onbedoeld. Hij was luidruchtig.
‘Doe een beetje rustig, Jarno.’
‘Gewoon even dollen,’ protesteerde ik. ‘Gaat zo weer over.’
‘Ja!’
‘Zo, genoeg Ruben,’ zei ik met een aai over zijn hoofd. ‘Nu gaan we weer even normaal doen.’
‘Ja.’
Ik glimlachte en gaf hem een kus.
‘Die Stijn kon dat ook zo goed,’ zei mijn moeder. ‘Zo leuk om te zien.’

Ik was bij mijn ouders blijven eten, mijn vader had me naar het station gebracht. In de trein belde ik meteen naar Stijn.
‘Hé!’
‘Je hebt mijn moeder ontmoet hoorde ik?’
‘O, mijn god, ja. Ik schrok me kapot.’
Ik lachte.
‘Ik stond ook meteen op, ging maar naar Jeroen toe.’
‘Zei ze iets?’
‘Nee. Ja, “hallo”. Ik had mijn kleren van de keuken aan gelukkig, dus ze had meteen zoiets van “O, die werkt hier”. Maar je kent Ruben, die was het er niet mee eens dat ik ging.’
Ik lachte weer.
‘Dus ik ben even terug gegaan, hem een knuffel gegeven en even gepraat met hem zodat ie rustig werd.’
‘Dat zei ze ja.’
‘O?’
‘Ze vond je zo’n aardige jongen, en knap hoe je met hem omging. Zo leuk.’
Nu lachte Stijn.
‘Echt, naderhand thuis had ze het ook nog over je. Je hebt indruk gemaakt. Zelfs mijn vader glimlachte erom.’
‘Nou, gelukkig maar.’
‘Ja, totdat ze horen dat je mijn vriendje bent natuurlijk.’
Stijn grinnikte. ‘Je wat?’
Ik besefte ineens wat ik zei. ‘Nou ja, je snapt wat ik bedoel.’
‘Dat wij vroeger geneukt hebben en klanten afgewerkt.’
‘Stijn…’
Hij lachte. ‘Grapje Jarno, grapje.’
‘Lul.’
‘En wat voor eentje. Zowel hebben als zijn.’
‘Hou op.’
Hij grinnikte. ‘Ik had niet verwacht dat ze het er met je over zou hebben, anders had ik je wel gewaarschuwd. Het was zo kort dat ik haar gezien heb.’
‘Je hebt indruk gemaakt.’
‘Wat dacht je toen ze het zei?’
‘Even schrikken. Ik heb gezegd dat ik je kende, dat je in de keuken werkt en dat je mee bent geweest met die vakantie.’
Ik hoorde hem glimlachen.
‘Ze moest eens weten,’ zei ik.
‘Ja, inderdaad. Nou ja, prima zo toch?’
‘Zekers.’
‘Ben je er woensdag?’
‘Denk het wel.’
‘Kom ik ook nog wel even kijken.’
‘Is goed. Mijn trein is er, ik ga uitstappen. Zie je woensdag.’
‘Oké.’
We hingen vrolijk op. Raar. We gingen met elkaar om alsof er niets aan de hand was. Niets aan de hand was en niets aan de hand was geweest. Gewoon goede vrienden. Ik was er wel blij om. Wat er ook zou gebeuren, ik wilde hem niet kwijt.

Wijnand was er nog niet. Karlijn kwam mijn kamer op.
‘Zondagavondwijntje doen?’
Ik lachte. ‘Mij best. Nooit van gehoord trouwens, een zondagavondwijntje.’
‘Om het weekend af te sluiten. Zoiets als een maandagavondwijntje om de eerste dag van de week af te sluiten, of een dinsdagavondwijntje…’
‘Ik snap hem,’ lachte ik.
‘Ik haal even een fles.’
‘Ik heb ook nog hoor.’
‘Ook goed. Is Wijnand er niet?’
‘Nee,’ zei ik met een blik op mijn horloge, ‘hij is laat. Meestal is hij veel eerder al weer terug.’
Ze pakte twee glazen van de plank. Ik draaide de fles open en schonk twee glazen in. Ik rook aan de schroefdop.
‘Geen kurk in de wijn,’ grijnsde ik.
‘Kwaliteitje. Proost.’
Ik keek nog een keer op mijn horloge. Hij was echt laat. Karlijn zag me kijken.
‘Waar is Gijs eigenlijk?’
‘Bij zijn vriendin denk ik,’ zei Karlijn, ‘zoals gewoonlijk.’
‘Ik zie hem maar weinig.’
‘Hij is ook meer daar dan hier. Ik heb soms geen idee waarom hij deze kamer nog aanhoudt.’
Ik hoorde de deur beneden.
‘Zal je Wijnand hebben.’
‘Komt de fles toch nog op vanavond.’
We lachten. De deur van mijn kamer ging open.
‘Ik dacht jullie al te horen,’ zei Gijs.
‘Hey, ben jij het?’ vroeg ik verbaasd.
‘Ja.’
‘Ik dacht dat het Wijnand was. Drink je er eentje mee?’
‘Eentje dan. Morgen drukke dag. Daarom slaap ik ook hier, daar hebben ze het zoveelste feestje.’
‘Komt ze dan niet mee?’ vroeg Karlijn.
‘Ik zei feestje. En ze kan uitslapen morgen.’
Gijs dronk snel, was ook snel naar zijn kamer.
‘Ik ga ook eens slapen,’ zei Karlijn.
‘Is goed, trusten.’
Ze bleef nog even bij de deur staan alsof ze iets wilde zeggen maar ging toen toch. Ik keek op mijn horloge. De laatste trein was al een tijdje geleden geweest. Ik pakte mijn telefoon en stuurde een berichtje.
“Trein gemist?”
Het duurde een paar minuten voordat ik bericht terug kreeg.
“Nee. Blijf hier slapen. Had ik zin in.”

© 2012 Oliver Kjelsson