Vlucht (deel 12, Epiloog)

Print Friendly, PDF & Email

Een nieuw begin? Mathijs? Wat er daarna allemaal nog gebeurde…

Ik had de introductieweek gewoon over me heen laten komen. Veel gedronken, veel gefeest. Het beviel me wel, leuke losse sfeer. De hogeschool was niet echt ver weg, ik had besloten gewoon bij mijn pleegouders te blijven wonen. Een veilige haven. Ik bleef er behoefte aan houden. Zij vonden het ook niet erg. Dat half uurtje iedere dag met de trein was geen probleem. Ik had er zin in. Volgende week zouden de lessen beginnen. Sociaal werk. Ik ging Mieke achterna. Met mijn praktijkervaring moest dat lukken. Ik vond dat ik wat terug moest doen voor de maatschappij. Ik had een vakantiebaantje gehad bij een boer waar ik in de weekenden bij kon blijven klussen. Leuk werk, leuk gezin ook. Jonge vent, een paar jaar geleden het bedrijf van zijn vader overgenomen. Getrouwd, twee kleine kinderen. Schat van een vrouw. Ze kenden mijn verhaal, mijn verleden. Ze kenden mijn pleegouders, dus ze wisten dat ik hun zoon niet was. Vragen komen dan vanzelf. Ik deed er niet moeilijk over. Het lag ondertussen zover achter me dat ik er geen last meer van had. Zij ook niet. Nuchter als ze waren. Ik voelde me er welkom. En dat was warm om te voelen.

De eerste week op mijn opleiding was er eentje van aftasten. Elkaar leren kennen, kijken wat ze van je verwachtten. Dat was nog al wat. Sociale sector, dus bleef je zelf ook niet buiten schot. Ik kwam er niet onderuit delen van mijn verhaal te vertellen. Ik was toch wat gereserveerd, ik had geen zin om alles op tafel te leggen al had ik dat wel moeten doen natuurlijk. Niet dat het problemen opleverde, alles relaxed. Het was een gezellige groep, vaak gingen we aan het eind van de lessen nog wat drinken in de binnenstad. Eén jongen viel me op, tijdens de intro al. Leuke gast, vrolijk gezicht. Geen idee of ie homo was of niet. Ik zou er wel achter komen, ik had de tijd. Heel af en toe zag ik nog iemand van mijn oude school. Mieke zag ik vaker. Officieel stond ik nog onder haar begeleiding, maar dat was niet meer dan een formaliteit. Samen praatten we veel over het vak, discussiëren over dingen die ik geleerd had. Ze genoot er van. Ik kon niet wachten op de dag dat ik een keer van haar zou winnen in onze discussies. Maar dat kon nog wel even duren. Ik was pas net begonnen. Ze lachte om mijn enthousiasme, al was mijn opleiding net een paar weken aan de gang. Ik hing veel op de hogeschool rond, napraten, ik leerde ze snel kennen. Op een dag zat ik met die ene jongen alleen in en kroeg.
‘Je bent een aparte,’ zei hij.
‘Hoe bedoel je?’
‘De manier hoe jij over dingen praat. Die discussie vanmiddag over religie. Je was fel.’
Ik glimlachte. Het was een leuk gesprek geweest. Met Ward in mijn achterhoofd heb ik mijn visie gegeven, over het beklemmende wat een religie kan geven. Iedereen had een eigen kijk op hoe je met zoiets moest omgaan. De algemene conclusie was dat je geloof in zijn waarde moest laten, als mensen daar aan vast hielden moest je dat zeker niet proberen te veranderen. Ik kon het niet nalaten om daar wat kanttekeningen bij te plaatsen.
‘Ervaring mee?’
Ik knikte.
‘Vertel.’ Hij ging er eens goed voor zitten.
‘Heb ik zin om die oude wond weer open te trekken?’
‘Dat is aan jou. Maar je maakt me wel nieuwsgierig.’
‘Ik had een goede vriend op school, hij woonde bij mij in het dorp. We fietsten samen naar school. Hij betekende veel voor me, na alles wat ik meegemaakt had. Ik was net uit die jeugdgevangenis en hij deed zo normaal tegen me. Iedereen op school had door dat er iets niet klopte, ik was anders. Maar hij gaf me vertrouwen. We hebben samen vastgezeten op het bureau, ik had iemand proberen tegen te houden die inbrak in een auto. Toen ze op het bureau zagen wat mijn geschiedenis was geloofden ze ons niet meer. Zijn ouders waren laaiend. Hij mocht niet meer met me omgaan. Maar hij bleef achter me staan. Vertrouwde me. Later zijn zijn ouders ook weer bijgedraaid.’
‘Da’s toch mooi?’
‘Het werd nog mooier. Ik wed verliefd op hem, later bleek hij ook op mij.’
Hij trok even zijn wenkbrauwen omhoog.
‘We hadden het echt gaaf samen, al mocht niemand het weten. Zijn ouders waren streng gelovig en in het dorp werd toch al veel geroddeld als je niet uitkeek.’
‘Laat me raden, ze kwamen er achter?’
Ik knikte. ‘En toen brak de hel los. Ze sloegen hem. Haalden hem van school, naar een streng christelijke. Werkgroep van de kerk om hem te genezen. Om een lang verhaal kort te maken, hij is geknakt. Heeft onze relatie verbroken, kon de kracht niet meer vinden om er tegenin te gaan. Hij zou het wel uitzingen, totdat hij op zijn eigen benen kon staan.’
‘Zie je hem nog wel eens?’
‘Nee, ineens zag ik dat hun huis leeg was. Ze zijn verhuisd. Geen idee waarheen.’
‘Jezus.’
‘Die zou dit nooit goedgevonden hebben.’
Hij lachte. ‘Ik begrijp nu jouw stelling vandaag.’
‘Religie is leuk, zal vast een hoop mensen steun geven, maar als je het gaat opleggen ben je erg verkeerd bezig. Dan breek je iemand af. Vooral met zoiets. Je eigen zoon zeggen dat hij ziek is, dwingen om zijn basisgevoel te ontkennen.’ Ik schudde mijn hoofd.
‘Onze lieve Heer heeft rare kostgangers.’
Ik lachte. ‘Inderdaad.’
‘Zoiets gebeurt niet allen vanwege geloof hoor,’ zei hij ineens.
‘Vertel,’ zei ik en ging er eens goed voor zitten, met een overdreven gebaar.
‘Ik had een vriendinnetje. Haar vader bulkte van het geld. Hij deed altijd minachtend over deze opleiding die ik wilde gaan doen. Ik moest het bedrijfsleven in, geld verdienen. Hij vond mij duidelijk niet de goede kandidaat voor zijn dochter. Ze hebben alles net zo lang zitten frustreren tot onze verkering klapte.’
Hm, vriendin. Jammer.
‘Lang geleden?’ vroeg hij.
‘Een jaar. Aan het begin van het schooljaar. Bij jou?’
‘Ook zoiets. Ze heeft nu een vriend, zoon van kennissen van haar ouders. Ik vraag me af of ze gelukkig is.’
We stonden op en rekenden af. Met zijn fiets aan de hand liep hij mee naar het station.
‘Straks eerst nog even boodschappen doen,’ zei hij, ‘ik heb kookbeurt vandaag.’
‘Lekker, op kamers,’ lachte ik.
‘Heerlijk, die vrijheid. Niets voor jou?’
‘Ik heb genoeg voor mezelf gevochten. Ik wentel me nog even in die warmte van een thuis.’
‘Ik snap jou helemaal.’
Hij gaf me een klap tegen mijn schouder en met een “tot morgen” reed hij weg. Ik liep het station binnen en slenterde de trap naar het perron op. Mijn trein stond al klaar. Door het gesprek van vanmiddag dacht ik terug aan de keren dat Ward en ik hier naar de film gingen. Helemaal vergeten was ik hem nooit. Ik zuchtte. Ik had hem verdedigd vanmiddag tijdens die discussie. Dat was het minste wat ik kon doen.

Ik had het warm. Het was een hete nazomermiddag. Ik was aan het werk op het land, samen met nog wat andere hulpjes van een jaar of 15 bij de boer. Het schoot lekker op. Hij hield er op tijd mee op. De andere jongens gingen al naar huis. Samen met hem ruimde ik de laatste dingen op. Ik ging nog even mee naar binnen voor een laatste bak koffie.
‘Eet je mee?’ vroeg zijn vrouw.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik ga zo naar huis, douchen.’
‘Kan hier ook hoor.’
‘Hebben jullie ook schone frisse kleren dan,’ lachte ik en trok het plakkende shirt van mijn rug.
‘Nee, die van hem passen jou niet.’
‘Veel te mager,’ spotte hij, ‘typisch studentje, niet gewend om hard te werken.’
Ik protesteerde lachend. Ze knipoogde.
‘Je doet het de volgende keer maar eens alleen, met die tractorbuik van je. Beetje rondrijden met ons er achteraan. Alsof dat hard werken is.’
Hij lachte. ‘Jullie hebben het goed gedaan vandaag,’ zei hij. ‘Het ging als een speer.’
Ik rekte me uit. Ik was moe. Voldaan moe. In de bijkeuken trok in mijn schoenen aan, ruimde mijn laarzen op. Mijn overal hing ik aan de spijker.
‘Morgen nog nodig?’ vroeg ik.
‘Nee, we zijn op schema. Dat kan ik morgen zelf wel aan. Slaap maar lekker uit, jongen. Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat je de hele week zit te slapen op college.’
‘Je roept maar en anders tot zaterdag.’
‘Tot zaterdag.’
Ik trapte op mijn gemak naar huis. Geen zin om te haasten. Veel te warm. Er zat toch niemand op mij te wachten. Mijn pleegouders waren een weekendje weg. Straks eerst een douche. Man, wat stonk ik. Pizza de oven in, voeten op tafel. Daarna niets meer, lekker dom tv kijken. Studentje was moe van het werken.

De douche gaf me nieuwe energie. Met de handdoek op mijn hoofd wrijvend liep ik naakt terug naar mijn kamer. Ik keek even op mijn telefoon, niemand gebeld. Een kwartier later ging de geur van pizza door de keuken. Ik had een boxer aan getrokken en een T-shirt. Even wat naar het nieuws kijken, voor de tv at ik alles op. Ik zette het bord op tafel, legde mijn voeten er naast en zapte door de kanalen. Ik dacht terug aan de dag. Het was een gezellige groep geweest. Jonge jongens, pratend over de meisjes uit het dorp. Ik glimlachte. Sterke verhalen. Ik dacht terug aan school, dezelfde sfeer. Er zaten altijd wat stillere jongens bij, die verlegen glimlachten om die verhalen maar er nooit aan meededen. Ik had gezien wat er morgen nog moest gebeuren. Hij had me niet nodig, had hij gezegd. Daar was hij de hele dag nog mee bezig. Ik snapte hem wel. Het was geen vetpot, als ik zou komen werken zou hem dat weer geld kosten. Veel vertelde hij er niet over, maar af en toe liet hij wel eens wat los, dat het hard werken was voor weinig. De prijzen daalden, maar zijn lening bij de bank bleef hetzelfde. Zijn vrouw werkte er bij. Zijn ouders pasten op de kinderen. Die woonden er naast, dus dat was geen probleem. Maar ideaal was anders. Ik bedacht me dat ik morgen eens “toevallig” langs moest gaan. Gewoon een eindje fietsen, even kijken hoe het ging. Even de handen uit de mouwen, dan had hij ook nog een vrije middag met zijn vrouw. Ik werd uit mijn gedachten gehaald door de deurbel. Ik kwam zuchtend uit de bank. Hier had ik geen zin in. Hopelijk een of andere collecte die ik snel kon afwimpelen. Alsjeblieft niet de buren die weer een heel verhaal hadden van een uur, terwijl ze alleen maar “even wat suiker kwamen lenen”. De tegels in de hal waren koud aan mijn voeten. Ik keek even naar mijn boxer maar vond dat degene die aanbelde daar maar tegen moest kunnen. Moesten ze maar niet ongevraagd aanbellen. Ik deed de deur open met een vragende blik. En keek in het gezicht van Ward.
‘Ward?’ Meer dan deze verbazing kon ik niet uitbrengen.
‘Mathijs,’ zei hij voorzichtig.
‘Wat kom jij hier ineens doen?’
‘Kom ik ongelegen?’
‘Nee, jij nooit. Sorry, kom binnen.’
‘Dank je.’
Van de eerste schrik bekomen bekeek ik hem eens goed. Hij was niets veranderd. Ik voelde mijn koude voeten niet meer. Ik liep voor hem uit de kamer in.
‘Ga zitten. Wil je wat drinken?’
‘Graag. Maakt niet uit wat.’
Ik pakte het bord van tafel en liep er mee naar de keuken. Hij glimlachte.
‘Zelf gekookt?’
‘Pizza, ja,’ grijnsde ik. ‘Ze zijn een weekend weg.’
Hij liep achter me aan de keuken in.
‘Vertel, hoe gaat het met je?’ vroeg ik.
‘Ik woon sinds kort op kamers.’
‘Sinds wanneer?’
‘Gisteren,’ zei hij grijnzend.
‘Bevalt het?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Weet niet. Alles beter dan thuis.’
Ik glimlachte begripvol.
‘Hoe gaat het met jou?’
‘Goed. Studeren, maar niet op kamers. Met de trein op en neer. Het bevalt me hier te goed.’
Hij glimlachte en pakte de mok van mij aan. We gingen aan tafel zitten. Onwennig zaten we tegenover elkaar. Wisten niet wat we moesten zeggen.
‘Ik kwam die telefoon van jou eens afrekenen,’ zei hij met een grijns.
‘Vergeet het.’
‘Ik ben blij dat ik je weer zie.’
‘Ik nog meer.’
Hij glimlachte weer een keer.
‘Nou, vertel op. Hoe is het allemaal gegaan?’
‘Ik heb zonder dat ze het wisten een kamer gevonden, een beetje bij toeval. Achter hun rug om heb ik mijn studiefinanciering geregeld. Ik werk er naast, anders is het niet te betalen. Je begrijpt dat ze geen cent bijspringen.’
‘Wanneer heb je verteld dat je op kamers ging wonen?’
‘Gisteren,’ zei hij betekenisvol. ‘Pa ging door het lint.’
‘En jouw spullen?’
‘Meegenomen. Vandaag heb ik met een paar medestudenten in een busje alles opgehaald. Omdat zij er bij waren durfden mijn ouders niets te doen.’
‘Vrij?’
‘Vrij!’ Hij stak zijn beide armen lachend de lucht in.
‘Je was ineens verhuisd,’ zei ik.
Hij keek weer strak. ‘Dat was wat. Ze hadden het me niet verteld. Een week vooraf zeiden ze dat ik mijn spullen in moest pakken. Ik wist van niks. Ik heb er serieus over nagedacht om weg te gaan. Maar waar moest ik naar toe? Ik zat midden in mijn examens.’ Hij zuchtte. ‘Ik heb je expres niets laten weten. Leek me toen het beste. Ik zat helemaal aan de grond. Ik kon niet meer. Wat zou het ook voor nut hebben? We konden elkaar toch niet zien. Stilletjes weggaan, geen confrontatie.’
‘Ik snap het wel,’ zei ik. ‘Ik kon ook niet boos op je zijn. Alleen op jouw ouders.’
Hij glimlachte weer.
‘Ik had het in die brief naar je geschreven, het was beter zo. Ik kon het niet winnen. Toen nog niet.’
‘Onwerkelijk nog allemaal?’
‘Ik besef het me nog niet helemaal. Ik wil niet meer terugdenken aan het afgelopen jaar. God, wat heb ik je gemist. Ik heb het echt verkloot.’
‘Jij niet, jouw ouders.’
‘Ik was doodnerveus net toen ik aanbelde.’
‘Nergens voor nodig. Ik ben blij je weer te zien.’
Ward zweeg, schuldig gezicht.
‘Ward, je hebt altijd gezegd dat jouw tijd wel zou komen. Die is er nu.’
Hij knikte terwijl hij naar de tafel bleef staren.
‘Niet schuldig voelen, Ward. Ik had je nog zoveel willen zeggen toen jij met jouw vader wegging. Ik begreep het wel.’
‘Ik ben blij dat je er zo over denkt.’
Ik glimlachte. Keek naar hem. Hij glimlachte terug. Ik wilde eigelijk maar één ding. Alles van het afgelopen jaar vergeten, gewoon overslaan. Waarom ook niet? Ik stond op, liep om de tafel en pakte zijn hoofd met twee handen vast. Hij ging recht zitten, ik nam plaats op zijn schoot. Hij kuste mij eerst. Daarna lieten mijn lippen hem niet meer los. Snel sloegen zijn armen om me heen. Ik trok hem dicht tegen mij aan. We zoenden, wild.
‘Je hebt woord gehouden,’ zei ik zacht.
‘Woord gehouden?’
‘Ik zou je nooit meer kwijtraken, wat er ook zou gebeuren.’
Hij kuste me. ‘Ik moet wel op tijd de trein hebben.’
‘Wil je al weer weg?’ vroeg ik spottend.
‘Nee.’
‘Dan blijf je hier. Lang geleden dat ik met je geslapen heb. Bovendien, ze komen morgen pas weer terug. Al had dat ook niets uitgemaakt.’
Hij zei niets, drukte zijn mond weer op de mijne en zuchtte diep. Mijn boxer stond strak. Eindelijk had ik hem weer vast. Eindelijk was Ward weer bij mij. Ik wilde hem nooit meer loslaten. Ik trok aan zijn shirt, hij liet het gewillig uittrekken. Ik trok de mijne snel over mijn hoofd. Mijn huid eindelijk weer tegen die warme van hem. Zijn hand gleed in mijn boxer, ik kreunde toen hij hem vastpakte. Tussen ons in probeerde ik zijn broek los te maken. Het lukte maar half.
‘Wacht,’ zei hij.
Ik stond op, hij ook. Meteen zat mijn hand weer aan de knoop.
‘Zullen we naar boven gaan?’ vroeg hij.
‘Is veel te ver weg,’ fluisterde ik en liet zijn broek zakken.
Hij stapte er uit, mijn boxer gleed tegelijkertijd langs mijn benen. Ik drukte me tegen hem aan, zijn hete paal drukte tegen mijn huid. Ik duwde hem naar achteren, tot hij tegen de tafel aan stootte. Ik kuste hem weer, verder achterover. Hij grinnikte toen zijn warme rug op de koude tafel lag. Ik lag boven op hem, wreef mijn lichaam heen en weer. Zijn hoofd kantelde achterover, ik kuste zijn nek. Hij keek me weer aan, graaide met zijn hand tussen ons in. Hij had ze vast en glimlachte. Ik stootte in zijn hand, gleed langs zijn pik. Hij kreunde, keek naar wat er gebeurde.
‘Dit is zo geil,’ zuchtte hij.
Ik kreunde, wilde klaarkomen, nu. Ik bewoog steeds sneller. De tafel kraakte. We kwamen tegelijk klaar. Hij sloeg daarna zijn benen om me heen, trok zijn armen strak om mijn lichaam. Ik ontspande, lag met mijn hele lijf zwaar op hem en zuchtte.
‘Kut, wat heb ik je gemist,’ grinnikte ik.
Hij lachte, ik schudde mee. We stonden op van de tafel, kusten elkaar.
‘Ik heb een koude rug.’
‘Kom hier,’ zei ik en pakte hem van achteren vast. Zijn koude rug klemde tegen mijn borst. Mijn slappe kruis klem tegen zijn billen.
‘Kleren aan of naar bed?’ vroeg hij.
‘Kleren aantrekken klopt niet in deze situatie. Dan maar naar bed.’
Hij lachte, raapte zijn kleren van de grond en liep naar boven. Ik liep snel door de huiskamer, deed de tv uit, de voordeur op slot en jatte snel vanuit de keuken een fles wijn en twee glazen mee.
‘Zo, iets te vieren?’ vroeg hij lachend vanuit mijn bed.
‘Mwoh.’
Hij lachte. Zijn kleren lagen op een hoopje in een stoel, ik gooide mijn shirt en boxer er bij. Ik zag hem kijken toen ik naar mijn bed liep. Ik gaf hem de tijd, zette op mijn gemak de fles en glazen op het tafeltje naast mijn bed. Hij glimlachte, wist waar ik mee bezig was, dat ik hem expres lang liet kijken. Ik sloeg het dekbed ver terug, zodat zijn kruis bloot kwam te liggen. Hij lag rustig, zacht, schuin naar links in zijn haar. Mijn god, wat was hij mooi. Ik ging naast hem liggen, kuste zijn voorhoofd en trok het dekbed over ons heen. Ik schudde mijn kussen tegen de muur, ging er tegenaan zitten en legde mijn bril op het tafeltje.
‘Waarom ze je die af?’
‘Gewoonte,’ zei ik.
‘Je bent leuker met.’
Ik keek hem verbaasd aan.
‘Echt.’
‘Af en toe spoor jij niet helemaal,’ lachte ik en zette hem weer op.
Ik pakte de fles en trok hem open.
‘Die bril hoort bij je. Zonder ben je niet compleet.’
Ik lachte en schonk de twee glazen vol. Ik gaf er eentje aan hem en tikte ze tegen elkaar.
‘Op ons.’
‘Op nooit meer zonder jou,’ zei hij.
We namen een slok en kusten.
‘Mijn pleegouders vallen om als ze morgen horen wat hier nu gebeurt.’
‘Die van mij staan nooit meer op denk ik.’
‘Zouden ze het niet vermoeden?’
‘Vast wel. Helemaal hun probleem.’
Hij goot zijn glas leeg in zijn keel.
‘Lekker,’ zei hij.
‘Nog eentje?’
‘Straks. Niet te snel. Zo vaak drink ik niet.’
‘Ik ook niet. Hoewel, de laatste tijd een stuk meer.’
‘Ik ben bij een examenfeest zat geweest, echt erg. Pa weer kwaad natuurlijk toen ik thuis kwam.’
‘Ik ook. Ik heb bij iemand in de voortuin liggen zoenen met een meisje.’
Hij keek me met een ruk aan.
‘Een meisje? Gadverdamme, Mathijs,’ lachte hij overdreven.
‘Ik was zat, zei ik toch?’
‘Was ze leuk?’ vroeg hij voorzichtig.
‘Nee. De dag erna voelde ik me schuldig.’
‘Dat je het met haar gedaan hebt?’
‘Dat het niet met jou was.’
Hij kuste me. ‘Weet je dat het mijn grootste angst was dat je ondertussen iemand nieuws had leren kennen?’
Ik glimlachte. ‘Ik hoopte maar dat ze jou niet zo ver gehersenspoeld hadden dat je een vriendin zou hebben nu.’
‘Echt niet,’ kuste hij verontwaardigd en hield me stevig vast.
We zoenden wild, draaiden op elkaar en weer andersom. Af en toe zaten we klem gedraaid tussen het dekbed. Passie. Met hoofdletter. Even hield ik stil.
‘Ik doe hem nu toch maar even af.’
Op mijn zij legde ik mijn bril op het tafeltje, Ward trok me van achteren meteen weer om en draaide me op hem. Benen om mij heen. Ik voelde het groeien tussen ons in. Zijn ogen boorden door die van mij. Eindelijk. Gelukkig.

Na een flinke herhaling van de keukentafel in bed zijn we in slaap gevallen. De fles was leeg. Ward sliep nog toen ik voorzichtig uit bed sloop om naar het toilet te gaan. Toen ik terug kwam sliep hij nog steeds. Tevreden uitdrukking op zijn gezicht. Zijn arm op de warme plek waar ik net nog gelegen had. Ik kroop dicht tegen hem aan, met een schokje in zijn adem opende hij voorzichtig zijn ogen.
‘Je bent er nog,’ zei hij slaapdronken.
‘Eh, ja, dit is mijn bed tenslotte,’ grijnsde ik.
‘Ik wist niet of ik het gedroomd had of niet.’
‘Het is helemaal echt,’ knuffelde ik.
‘Nog even slapen,’ zei hij zachtjes.
Diep weggekropen in mijn armen viel hij langzaam weer in slaap.

‘Blijf je eten?’ vroeg ik halverwege de middag.
‘Als ik de laatste trein maar haal, ik moet morgen weer vroeg op.’
‘Deal. Ik wil je laten zien.’
‘Hoe laat komen ze thuis?’
‘Eind van de middag.’
Hij glimlachte. Vond het prima. We zaten onderuit in de tuin toen ze thuis kwamen.
‘Hoi,’ hoorde ik ze roepen.
‘Ik zit buiten,’ zei ik.
‘Even wat opruimen, we komen zo.’
‘Hoe was het?’
‘Leuk!’ riep mijn pleegmoeder vanuit de keuken.
Ze kwam door de deur gelopen.
‘Jij ook een lekker weekend gehad, Mat… Ward!’
‘Hallo,’ zei hij verlegen.
Ze pakte hem vast en hield hem even stevig vast.
‘Wat leuk om je te zien. Alsjeblieft, zeg me dat je niet weggelopen bent maar gewoon op kamers woont.’
‘Het laatste,’ glimlachte hij.
‘Geweldig, jongen. Eindelijk.’
Mijn pleegvader kwam op het tumult af en lachte breed toen hij Ward zag.
‘Blij je weer te zien, jongen.’
‘Ik ook,’ zei hij.
‘Vandaar die twee glazen in de keuken. Meteen gevierd?’
‘Tuurlijk,’ zei ik glunderend. ‘En goed ook.’

‘Wat kijk jij vrolijk,’ zei de jongen uit de klas tegen mij toen hij me maandagochtend zag.
Ik trok een overdreven blij gezicht.
‘Goed weekend gehad?’
‘Weet je nog dat ik het over die jongen had afgelopen week?’
‘Die met die fijne gelovige ouders.’
‘Die. Hij stond ineens aan de deur zaterdag.’
‘Is ie verlost? Het licht gezien?’
‘Hij woont op kamers sinds vrijdag. Hij is eindelijk vrij.’
‘En meteen de dag erna komt hij naar jou, na een jaar afwezigheid? Zegt genoeg toch?’
‘Zeker.’
‘Je hebt hem toch wel meteen een klap tegen zijn hoofd gegeven en hem verrot gescholden dat hij je had laten barsten, hoop ik?’
‘Sorry. Het slaat zo moeilijk als ie zijn armen om je heen heeft. En schelden gaat ook niet echt lekker tijdens het zoenen.’
Hij grijnsde. ‘Heb ik je toch goed ingeschat. Mooi man. Gefeliciteerd, echt waar. Ik ben jaloers.’
‘Ik wist niet wat ik zag toen ik de deur open deed.’
‘Hoe lang is hij gebleven?’
‘Tot gisteravond.’
‘He he, een heel jaar seks ingehaald?’
‘Zoiets, met een fles wijn er bij.’
‘Hou op, hou op. Ik wil het niet horen. Waar studeert hij?’
‘Hier, alleen een andere faculteit, ander gebouw aan de andere kant van de stad. Internationale handel iets.’
‘Gadverdamme, het is een stropdas?’
Ik lachte. ‘Later waarschijnlijk, nu nog niet. En in bed gaat die toch uit.’
‘Echt? Weet je dat zeker? Volgens mij groeien die dingen vast hoor.’
Lachend liepen we de collegezaal binnen.
‘Hij moet maar eens een borrel mee gaan drinken.’
‘Doen we,’ zei ik.

Ward zat regelmatig bij mij. Zeg maar gerust vaak. Erg naar zijn zin had hij het niet in dat studentenhuis.
‘Het is er smerig,’ zei hij toen hij een weekend bij mij was.
‘Is het zo erg,’ vroeg mijn pleegmoeder.
‘We hebben een heel rooster, wie kookt, wie de keuken schoonmaakt en afwast, wie de douche schoonmaakt, wie de wc. Er zijn er altijd een paar die zich er onderuit weten te praten. Er is er eentje die als hij kookt er een enorme puinhoop van maakt omdat hij weet dat hij het toch niet hoeft op te ruimen. En dan is het nog niet te vreten ook niet.’
‘Zegt de rest daar dan niets van?’
‘Daar zijn ze al mee opgehouden. Als hij op het schoonmaakrooster staat weet je van tevoren dat het niet gebeurt. En iemand anders doet het dan ook niet. Principekwestie. Ik heb er al eens iets van gezegd maar kreeg meteen te horen dat ik er meer niet dan wel was, dus dat ik er niet zo’n probleem van moest maken.’
‘Lullig,’ zei ik.
Hij haalde zijn schouders op.
‘En een andere kamer is niet zo makkelijk te vinden zeker?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Misschien bij mensen thuis, op een zolderkamer. Maar die kamers zijn als eerste weg. En dan moet het nog te betalen zijn.’
‘Bij een studiegenoot van mij hebben ze misschien nog een kamer,’ zei ik. ‘Daar is de sfeer wel leuk, ik ken er een paar gasten van en die gaan heel leuk met elkaar om.’
‘Ik wil geen studentenhuis meer,’ zei hij. ‘Ik ben er wel achter dat zoiets niets voor mij is. Ik ben niet zo’n gemeenschapsmens. Gewoon en rustig zolderkamertje bij mensen thuis, geen gedoe.’
‘Ik zal eens navragen bij collega’s van mij,’ zei mijn pleegvader.
‘Graag,’ zei Ward.
Hij klonk moe. Hij was na zijn werk naar mij toe gekomen, met de laatste trein. Vuil, bezweet, hij had de hele middag en avond gewerkt in een magazijn van een grote winkel. Na een douche was hij in de bank geploft. Naast mij. Ik was er niet veel beter aan toe. Het was aanpoten geweest die middag. De hele dag in de schuur dingen gerepareerd. Mijn hele gezicht zag zwart, onder de smeer. Ik had het met de grootste moeite van mijn gezicht kunnen krijgen toen ik thuis kwam. Ik gaapte, Ward volgde meteen.
‘Besmettelijk?’
Hij grijnsde.
‘Ga toch naar bed,’ zei mijn pleegmoeder lachend. ‘Ik word er zelf duf van.’
Ward keek me vragend aan. Ik zag aan zijn gezicht dat hij wilde gaan slapen.
‘Welterusten,’ zei ik toen ik opstond.
‘Welterusten,’ zeiden mijn pleegouders.
Achter elkaar aan liepen we de trap op. Zwijgend trokken we onze kleren uit en doken in mijn bed.
‘Ik ben kapot,’ zuchtte Ward.
‘Anders ik wel.’
Hij kuste me, ik kuste terug. We kropen dicht tegen elkaar aan en vielen zonder seks in slaap.

Het volgende weekend was Ward vroeger. Hij was op tijd om mee te eten.
‘Ik heb misschien een kamer voor je,’ zei mijn pleegvader toen de tafel was afgeruimd.
Mijn pleegmoeder schilde een appeltje, gaf een stukje aan mij.
‘Echt?’ vroeg Ward nieuwsgierig.
‘Heb je me helemaal niet verteld,’ mompelde ik met een mond vol.
Hij glimlachte. ‘Het is ook niet voor jou, of wil jij ook op kamers?’
‘Ha ha,’ kauwde ik.
‘Als je wilt kun je vanavond nog gaan kijken.’
Ward vrolijkte op. ‘Graag.’
Na een kop koffie stond mijn pleegvader op.
‘Nu maar meteen doen?’
‘Zijn die mensen thuis?’ vroeg Ward.
‘Ze weten er van.’
‘Ga je mee kijken?’ vroeg Ward aan mij.
‘Tuurlijk.’
Ik volgde ze naar de hal. Ward deed zijn jas aan, mijn pleegvader wachtte. Mijn pleegmoeder keek toe, geleund tegen de deuropening van de keuken. Ik deed de voordeur open. Mijn pleegvader keek me even aan.
‘Deze kant op heren,’ zei hij en liep de trap op.
Ward keek me verbaasd aan. Ik keek net zo verbaasd terug. Achter mijn pleegvader aan liepen we de trap op, naar zolder. Mijn pleegmoeder volgde.
‘Lijkt dit je wat?’
‘Maar…’
Ik keek vragend naar mijn pleegmoeder, die knipoogde.
‘We hebben het er na vorige week samen over gehad. Jullie zijn oud en wijs genoeg. Als we dit tweepersoonsbed op jouw kamer zetten, en jouw bed hier, dan is het groot genoeg. Al vraag ik me af of hij hier ooit zal slapen.’
‘Over de huurprijs worden we het wel eens. Als de kosten voor de energie en het eten er uit zijn vinden wij het allang best.’
‘Dat kan ik niet aannemen.’
‘Ward,’ zei mijn pleegmoeder, ‘we zien hoe ongelukkig je bent in dat studentenhuis. En je zit er niet vrijwillig. Het was onze taak om Mathijs weer op het rechte pad te krijgen en zonder jouw bemoeienis was ons dat misschien nooit gelukt. We willen iets terug doen. We hebben wel wat regels, het gaat hier geen groot feest worden. Ik verwacht gewoon goede studieresultaten.’
Ward keek me even aan, ik kon mijn brede grijns niet onderdrukken. Hij wist zich geen houding te geven. Langzaam werden zijn ogen rood. Mijn pleegmoeder pakte hem even vast. Hij zuchtte. Er klonk opluchting door in die zucht.
‘Je hebt weer een thuis, jongen,’ zei ze zacht.

Ward is nooit meer gegaan. Het weekend daarop haalden we zijn spullen op. Hij keek niet eens om toen hij de deur van zijn kamer voor het laatst dicht trok. Iedere dag gingen we samen met de trein naar de stad. Het ging goed zo. Zonder al te veel problemen gingen we allebei door onze studie heen. Ik was eindelijk gelukkig. Met alles.

Als ik aan mijn moeder denk zie ik meestal alleen nog maar haar lachende gezicht, haar knuffels. Af en toe ga ik nog wel eens naar Amsterdam, met Ward naast me. Mieke lacht iedere keer als zo ons samen aan ziet komen lopen. Als we daar zijn leggen we altijd bloemen. Herman zie ik zo af en toe. Hij is opgehouden met zijn handel. ‘Ik word te oud voor die onzin,’ had hij gelachen. Nachtportier is hij nou, bij een groot hotel. Justin heeft een vaste vriend. Alles onder controle, vast werk, samen een huis. Hij heeft rust. Geen woedeaanvallen meer, hij zit goed in zijn vel. We zien hem af en toe, pakken met zijn vieren een terrasje in Utrecht, lekker in het midden van het land. Ward belt heel af en toe met zijn moeder tegenwoordig, als hij zeker weet dat zijn vader niet thuis is. Ze keurt het nog steeds niet goed wat hij met mij doet, maar ze is gerustgesteld dat hij onder de zorg van mijn pleegouders leeft. Daar weet zijn vader uiteraard niets van. Binnenkort gaan ze samen een middagje winkelen. Daar hoeft zijn vader al helemaal niets van af te weten. Ward en ik wonen samen min of meer, op mijn kamer. Iedere avond gaat hij even naar zijn gehuurde kamer, een etage hoger, om te studeren. Altijd komt hij braaf thuis slapen.

En Rico? Rico heb ik nooit meer gezien.
© 2006 Oliver Kjelsson