Voorbeeld (deel 10)

Print Friendly, PDF & Email

Ralf draaide om en keek verbaasd.
‘Jarno. Hoe is het met je?’
‘Kut,’ zei ik eerlijk.
Ralf keek om naar zijn vrienden die ook gestopt waren en stonden te wachten.
‘Rij maar door, ik zie jullie morgen weer,’ riep hij. ‘Oude kennis van mij, even bijpraten.’
Ze zwaaiden en reden weg. Hij keek weer naar me.
‘Kut? Dat dacht ik al.’
‘Hij is gek,’ zei ik, ‘echt. Totaal doorgeslagen, ik werd opgesloten in huis zo ongeveer.’
‘Ik ben blij dat ik je zie.’
Ik glimlachte.
‘Waar woon je nu?’
‘Nergens.’
‘Nergens?’
‘Ik ben weggelopen thuis.’
‘Dat weet ik.’
Ik keek verbaasd.
‘Hij is bij mij geweest.’
‘Wie?’
‘Jouw vader.’
Mijn mond vel open.
‘Hij had me gevonden via internet. Hij had een profiel aangemaakt op die site.’
‘Wat?!’
‘Ik kon er in het begin eigenlijk wel om lachen. Uitgerekend jouw vader een profiel op een homosite. Maar dat lachen was snel over. Hij dreigde, hij wist me wel te vinden. Ging de politie bellen. Toen hij zei dat ik jou ontvoerd had wist ik niet wat ik hoorde.’
‘En toen?’
‘Ik maakte me zorgen. Ik snapte wel dat het goed fout zat. We hebben gebeld, ik heb hem mijn adres gegeven en toen is hij bij mij thuis geweest.’
Ik kreunde.
‘Jarno, je moet naar huis.’
‘Dat maak ik zelf wel uit.’
‘Hij maakt zich zorgen Jarno. Hij had gehoopt je bij mij te vinden, maar toen bleek dat je niet bij mij was zakte hij door de grond. Hij heeft me gesmeekt om te vertellen waar jij dan misschien zou kunnen zijn.’
‘Wat heb je gezegd?’
‘De waarheid. Dat ik echt geen idee had.’ Ralf keek me streng aan. ‘En dat ik me ook zorgen maakte.’
Ik zuchtte, mijn rugzak gleed van mijn schouder. Met een plof viel hij op de grond.
‘Mijn ouders hebben nog lang met hem zitten praten.’
‘Waarover?’
‘Jou denk ik. Ik heb met ze overlegd wat ik moest doen, toen hij me gevonden had op internet. Ze waren er bij toen hij kwam. Ik heb ze verteld wat er bij jou aan de hand was.’
‘Jezus…’
‘Waar slaap je nu?’
‘Overal en nergens.’
‘Toch niet op straat hè?’
Ik zweeg. Ralf keek verschrikt.
‘Spring achterop, je kunt wel bij mij slapen.’
‘Nee, hoeft niet.’
Als ik met hem mee ging dan wist ik wel wat er zou gebeuren. Zijn ouders zouden meteen die van mij bellen.
‘Alsjeblieft, zeg niet dat je me gezien hebt.’
Ralf schudde zijn hoofd. ‘Gaat dit niet te ver?’
‘Hij gaat te ver.’
‘Zelf weten. Maar denk aan wat ik net verteld heb.’
‘Ja, ja,’ zei ik verveeld.
‘Kan ik nog iets voor je doen?’
’Nee, ik red me wel.’
‘Als er iets is, bellen hè?’
‘Mijn telefoon is dood.’
‘Vandaar dat je niet opnam. Ik dacht al dat je me niet wilde spreken.’
‘Nee, het is leuk om je weer te zien.’
Ralf glimlachte.
‘Ik moet weer gaan,’ zei ik.
‘Kijk uit,’ zei hij toen ik hem een hand gaf.
Ik hield zijn hand vast. Daarna trok ik hem naar me toe en hield hem even vast. Ralf duwde me voorzichtig maar duidelijk van zich af. Niet te close worden. Hij ging weer op zijn fiets zitten en reed weg, zwaaiend. Ik keek hem na totdat ik hem niet meer zag. Ik voelde zijn hand nog, op mijn borstkast die me van hem afduwde. Duidelijk. Die wilde verder niets met me. Toch aardig dat hij aanbood bij hem te blijven slapen. Zouden ze al weg zijn bij het park? Het begon al te schemeren. Ik slenterde richting het park. Het was er inderdaad rustig. Leger dan anders, leek het wel. Ik had moeite om er in te gaan. Met een schuin oog keek ik naar de plek die afgezet was geweest. De rood witte linten waren weg, alsof er niets gebeurd was. Ik liep verder het donkere park in. Het was stil. Ik liep meteen naar onze plek, ik wilde weten of alles er nog was. Geen idee hoever ze het park hadden uitgekamd. Ik draaide de hoek om en zag de nachtploeg zitten op het bankje. Ik stond meteen stil en draaide om. Via de andere kant dan maar.
‘Hé, wacht!’
Daar had ik geen zin in. Ik begon sneller te lopen. Eentje kwam me achterna.
‘Wacht. We doen niets.’
Ik weet niet waarom, maar ik stopte en keek om.
‘Weet jij waar de Rooie is?’
‘Niet hier.’
‘Weet je of alles goed met hem is?’
Ik knikte. ‘Hij is oké.’
‘Hij was het niet, die ze gevonden hebben?’
‘Nee.’
‘Zeker weten?’
‘Zeker weten. Ik kwam hier vanmiddag met hem aanlopen toen ze alles afgezet hadden.’
‘Godzijdank.’ Hij bleef naar me kijken. ‘Drink je er eentje mee? Op de goede afloop.’
‘Ik heb niets bij me.’
‘Geeft niet, er is genoeg.’
Ik liep met hem mee, terug naar het bankje. Er zaten er ondertussen al meer. Eentje zag me aan komen lopen.
‘Mooi, jij was het niet gelukkig.’
Ik glimlachte verlegen.
‘De Rooie is ook oké,’ hoorde ik de man achter me zeggen.
‘Mooi.’
‘Ik heb hem vanmiddag nog gezien,’ zei ik tegen het groepje, ‘toen was hier alles al afgezet.’
Iemand strekte zijn arm naar me toe met een kartonnen pak wijn.
‘Daar drinken we op.’
“Waar drinken jullie niet op?” dacht ik als eerste. Maar die gedachte liet ik snel gaan. Hij had gelijk. We hadden misschien ook wel wat te vieren. Ik zette het pak aan mijn mond en nam een slok. Mijn gezicht trok scheef toen ik doorslikte.
‘Lekker?’ hoorde ik iemand lachen.
‘Zuur.’
‘Dat went wel na slok vier. Doordrinken jongen.’
Ik grijnsde en nam nog een slok. Daarna gaf ik het pak terug.
‘We maakten ons al zorgen. We zagen jullie nergens.’
‘Rooie is hier wel vaker niet,’ zei ik.
‘Maar jij tegenwoordig wel. Wat doe je hier eigenlijk?’
‘Slapen.’
‘Wat is jouw verhaal? Je bent rijk gekleed, zo slecht had je het niet.’
‘Rooie heeft mij altijd geleerd om niets te vragen,’ zei ik een beetje spottend.
Een andere man lachte. ‘Daar heeft ie je, Roy.’ Hij sloeg me op mijn schouder. ‘Je hebt gelijk. Rooie heeft je al genoeg geleerd merk ik. Heel goed.’ Hij schaterde nog een keer.
‘Waar ken je hem van?’ vroeg Roy.
‘Van school.’
Iemand anders lachte. ‘Van school?! Rooie zit op school?’
‘Zei ik je toch,’ kreeg hij als reactie van een ander, ‘het is geen domme gast.’
Hij schudde zijn hoofd. Ik stond nog steeds, kreeg een duw tegen mijn arm.
‘Hier, Rich Boy.’
Ik had het pak weer vast. Met een zo strak mogelijk gezicht nam ik een lauwe slok witte wijn. Ik durfde niet teveel te drinken. Ik had er niets van betaald, geen idee hoe lang ze dat goed zouden vinden. De rest praatte door elkaar heen.
‘Het was waarschijnlijk gewoon een hoertje,’ zei iemand.
‘Ruzie met de dealer.’
‘Of hij wilde niet bukken!’
De rest lachte. Ik lachte maar mee. Ik wilde weg hier. Voor mijn gevoel trok dit veel te veel aandacht. Dat kon niet goed gaan. Ik rekte me uit en liep weg.
‘Ik ben er weer vandoor,’ zei ik.
‘Kijk uit.’
‘Doe ik.’
‘Goed dat je bent komen vertellen dat Rooie oké is.’
‘Graag gedaan.’
Ik stak mijn hand op en liep terug naar waar ik vandaan kwam. Even een stukje omlopen, ze hoefden niet te weten waar ik ging slapen. Daarvoor moest ik wel vlak langs het stuk park waar ze geweest waren vanmiddag. Ik probeerde nog iets te ontdekken, maar zag niets vreemds. Aan de achterkant van het park ging ik weer het pad in. Niet veel later sloop ik tussen de struiken door en zat ik op onze plek. Alles lag er nog, er was niemand aan geweest. Ik zuchtte opgelucht. Ik pakte de deken en rolde mezelf erin. Ik kroop in elkaar en sloot mijn ogen. Ik wilde alles zo snel mogelijk vergeten.

Ik was vroeg wakker. Onrustige nacht. Ik schrok wakker van elk geluidje. Meestal sliep ik meteen weer in, maar het was nu licht en ik kon niet meer slapen. Het waaide wat, ieder krakend takje maakte me wakker. Ik wilde blijven liggen, maar dat hield ik niet lang vol. De harde grond irriteerde me. Ik rolde de deken open en vouwde hem op. Ik hield even snel de bus deo onder mijn shirt en ruimde alles op. Mijn rugzakje nam ik mee, zoals altijd. Ik durfde niets te laten liggen. De nachtploeg was aan het wakker worden toen ik door het park liep. Eentje stak zijn hand op.
‘Tot vanavond, Rich Boy.’
Ik lachte. Ze accepteerden me, dankzij Stijn. Eigenlijk wilde ik niets met ze te maken hebben, maar het voelde toch goed. Ik keek in mijn portemonnee. Veel geld had ik niet meer. Ik kon nog wel een ontbijtje halen in de supermarkt en ook nog iets voor tussen de middag, maar dan was het echt op. Dat betekende… Ik wilde er niet aan denken. Ik durfde niet, zeker niet na wat er gebeurd was. Wat was er eigenlijk gebeurd? Het kon vanalles zijn. Ik slenterde naar de supermarkt die net open ging toen ik aankwam. Een beetje verbaasd keken ze wel naar me. Ik kocht mijn spullen, waarvan ik wist dat het goedkoop was maar wel vulde. Het literpak drinkyoghurt was in verhouding goedkoper en daar had ik tussen de middag ook nog wat aan. Ik kocht een half brood, zo goedkoop mogelijk. Een paar sneetjes nu, de rest in de middag. Ik keek tevreden naar het geld wat ik overhield. Dat was waarschijnlijk nog niet genoeg, maar ik ging het wel proberen. Misschien zag ik Stijn op tijd. Geld lenen wilde ik eigenlijk niet, hij had het zelf hard genoeg nodig. Misschien was het toch een idee om die vent samen te doen. Veiliger, en toch geld. Latere zorg. Nu eerst ontbijten.

Ik besloot om naar het station te gaan. Misschien stond er iets in de gratis kranten. Ik plunderde alle gratis kranten bij elkaar en ging op het perron zitten. Ik ploos ze helemaal na, maar er stond niets in. Ik las ze nog een keer na, maar er stond echt niets over in. Teleurgesteld legde ik ze naast me neer. Jammer. Ik stond op en liet ze liggen op de bank. In de hal liep ik het boekenwinkeltje binnen. Ik pakte de lokale krant en zag op de voorpagina meteen dat ik prijs had. Foto van het afgezette park erbij zelfs. Ik begon te lezen, maar dat duurde maar kort.
‘Lezen is betalen,’ riep de man geïrriteerd vanachter zijn balie.
Ik keek naar hem en vouwde krant weer op. Ik keek nog een keer snel en zag genoeg. Jongen alleen, overdosis. Nog onbekend wie het was. Ik legde de krant terug op de stapel en maakte dat ik weg kwam. Ik wist voldoende. Geen gedoe met een klant. Gewoon een overdosis. Nou ja, gewoon… Het was nog erg genoeg. Maar hij had het zelf gedaan tenslotte. In gedachten liep ik de stad in. Overdosis. Wat moet er in je kop omgaan als je dat doet? Had hij het wel expres gedaan? Ik was benieuwd of ik hem wel eens eerder had gezien. Misschien kende Stijn hem wel. Onbekend wie het was. Ook erg, zijn ouders wisten nog niet eens dat hun zoon dood was nu. Geen afscheid kunnen nemen. Raar idee. De winkels waren net open, het was nog rustig. Ik zou Stijn pas later in de middag weer zien. Daar ging ik weer, tijd vullen met niets. Misschien ging ik wel terug naar het park om nog wat te slapen. Er was helemaal niets te beleven in de stad. Ik had de winkelstraat nu heen en weer gelopen. Als ik dat nog een keer ging doen dan ging ik nog opvallen ook. Terug naar het station nog maar even. Gewoon mensen kijken. Daar liepen er in ieder geval meer rond dan in de stad, dat was altijd beter. In de middag kon ik dan altijd nog naar het winkelcentrum gaan. Dan was het altijd drukker. Ik liep terug en keek hoe een echtpaar twee koffers achter uit een taxi haalden. Die gingen met de trein naar Schiphol. Waar zouden ze naar toe vliegen? Lekker op vakantie in ieder geval. Ik had nu in Toscane kunnen zitten. Ik plofte op een bankje voor het station. Mijn rugzak zette ik naast me neer. Er begon een naad te scheuren zag ik. Het hele jaar schoolboeken, het verbaasde me ook niet. Meestal gingen die dingen maar anderhalf of twee jaar mee. En nu sjouwde ik er constant mee. Ik strekte mijn benen en keek het plein rond. Wat voor dag was het vandaag eigenlijk? Woensdag, donderdag? Ook raar, ik was de dagen kwijt. Ik had net beter op de krant kunnen kijken. Wat maakte het ook uit eigenlijk? Het was frisser dan de andere dagen tot nu toe. Er hingen ook wat wolken. Ik hoopte maar dat het niet ging regenen. Ik pakte nog een boterham uit mijn rugzak. Droog, niet weg te kauwen eigenlijk. Nog een slok yoghurt dan maar. Nu was het nog een beetje koel, als het warmer werd was het niet te drinken eigenlijk. Ik nam een slok en slikte door met een vies gezicht. Het was al warm. Zoete troep, het plakte bijna. Ik moest het ook weer niet te snel opmaken, dan had ik in de avond echt geen keus meer. Ik wilde er nog niet aan denken. Ik zuchtte. Dit ging waarschijnlijk weer een lange dag worden. Ik zag eentje uit de nachtploeg lopen. Hij hield mensen aan om te vragen om geld. Mensen keken afkeurend, liepen bewust om hem heen. Erg eigenlijk. Iemand gaf hem wat geld, hij knikte dankbaar. Niet iedereen was dus lomp. Ik draaide me wat weg, ik wilde niet dat hij me zag. Ik wilde niet herkend worden, niet waar iedereen me kon zien. Hij kwam langzaam mijn kant op, steeds weer mensen aanhoudend. Ik stond op, slingerde mijn rugzak over mijn schouder. Ik draaide me om en ging naar de andere kant van het plein. Ineens werd er aan mijn arm getrokken. Verschrikt keek ik om. Jorick zat nog op zijn fiets, mond half open.
‘Eindelijk, ik heb je.’
‘Hey, Jorick,’ zei ik vrolijk.
‘Ik ben blij dat ik je gevonden heb.’
‘Hoezo?’
‘Heb je het nieuws niet gehoord?’
‘Wat?’
‘Er is iemand dood gevonden in het park.’
‘O, dat,’ reageerde ik luchtig. ‘Ja, ik heb de politieauto’s gezien. Overdosis las ik vanmorgen.’
Jorick keek me nog steeds raar aan.
‘Wat?’ vroeg ik verbaasd.
‘We waren bang dat jij het misschien was.’
‘Ik?’ Ik lachte. ‘Hoe kom je daar nou weer bij?’
Hij werd fel. ‘Zeg, wij weten van niets verder, wat jij allemaal doet. Zeker jouw ouders niet. Die werden gek toen het vanmorgen in de krant stond.’
‘Nah,’ wuifde ik het nog een beetje weg, ‘ik ben oké hoor.’
‘Je moet mee naar huis, Jarno.’
‘Waarom?’
‘Ze zijn doodongerust. Mijn ouders ook.’ Hij zweeg even. ‘Ik ook.’
‘Ongerust? Mijn vader?’
‘Hij is vanmorgen naar het politiebureau geweest, Jarno. Om je te identificeren.’
Ik slikte.
‘Hij is kapot. Jouw moeder helemaal. Ga mee naar huis. Alsjeblieft.’
‘En dan? Sluit ie me weer op.’
Jorick schudde zijn hoofd. ‘Nee, hij heeft nu wel door dat hij veel te ver is gegaan.’
Ik keek Jorick aan en zag achter hem in de verte de man uit de nachtploeg om geld vragen. De rugzak hing zwaar op mijn schouder. Ik twijfelde.
‘Hoe is het nu dan?’ vroeg ik. ‘Wat hebben ze gezegd?’
‘Heel veel. Ze hebben veel gepraat met mijn ouders.’
‘Waarover dan?’
‘Het weer, de beurskoersen… Godverdomme Jarno. Over jou. Over de hele situatie. Over hoe we jou weer veilig thuis kunnen krijgen. Ze hebben mij nu gevraagd je te gaan zoeken.’
We stonden een tijdje zwijgzaam tegenover elkaar.
‘Ik durf niet,’ zei ik eerlijk.
‘Ze zullen blij zijn je weer te zien.’
‘Ik ben meer dan een week weg. Volgens mij zijn ze laaiend. Dat waren ze al.’
‘En denk je dat het minder wordt als je langer wegblijft?’
Ik haalde mijn schouders op.
‘Wat wil je dat ik doe? Naar huis gaan en zeggen dat ik je gezien heb? Dat ze zich geen zorgen hoeven te maken? Dat je nog niet terug wil komen?’
Ik zweeg, voelde me op mijn nummer gezet.
‘Wat wil je nou nog bereiken, gek? Jij was kwaad, terecht hoor, en bent gegaan. Ze maken zich grote zorgen, willen heel graag dat je terug komt. Wat wil je nou nog meer?’
‘Dat hij me accepteert zoals ik ben,’ zei ik dwars.
‘Daar zullen jullie het dan over moeten hebben. Eerder kom je daar niet achter.’
Hij had gelijk. Dit was natuurlijk ook de aanleiding om naar huis te gaan. Maar ik was bang, echt bang.
‘Ik ga mee,’ zei ik toen.
Jorick keek tevreden, opgelucht bijna.
‘Maar eerst naar jou. Niet meteen naar huis.’
Jorick vond het meteen goed en pakte zijn telefoon.
‘Je gaat ze nu niet bellen,’ zei ik meteen. ‘Dan staan ze me meteen op te wachten.’
‘Oké, oké. Nou, spring achterop.’
Voor de tweede keer genoot ik van het fietsen. Niet meer lopen, gewoon snel door de stad. Jorick reed om de wijk heen zodat we niet langs mijn huis kwamen. Ik sprong bij de garage van zijn fiets en liep meteen door de deur naar binnen. Zijn ouders kwamen meteen vanuit de keuken de garage in.
‘Jarno!’
Ik stond een beetje te treuzelen, wist niet wat ik moest zeggen.
‘Hallo,’ zei ik timide.
‘Ik had hem vrij snel gevonden,’ zei Jorick een beetje trots.
‘Weten jouw ouders al dat je hier bent?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nog niet.’
Zijn moeder glimlachte begripvol. ‘Eerst even praten?’
Ik knikte.
‘Kom maar, gaan we in de keuken zitten.’
Ik ging zitten en keek de keuken rond. Ik was hier al zo vaak geweest maar het leek net of alles er anders uitzag.
‘Waar ben je geweest?’ vroeg zijn moeder toen ik zat.
‘Hier in de stad.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Ze zijn je aan het zoeken geweest.’
‘Echt?’
‘Hij heeft Ralf gevonden via internet.’
Zij kenden zijn naam dus ook al. Er was echt flink gepraat.
‘Ik ben hem tegengekomen,’ zei ik.
‘We zijn ons rot geschrokken, toen dat vanmorgen in de krant stond.’
Ik nam een slok van mijn thee. ‘Wie weten allemaal wat er aan de hand is?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Hier, in de buurt. Mensen van school.’
Ze glimlachte. ‘Niemand.’
‘Niemand?’
‘Wij weten het, verder niet.’
‘Ik heb de rest verteld dat je uit logeren was, bij familie,’ zei Jorick.
Ik was opgelucht. Ik kon ook denken dat mijn vader zich nog steeds voor me schaamde, maar dat kwam even niet in me op. Ik was blij dat mijn hele verhaal niet bij iedereen bekend was.
‘We moeten ze nu toch echt gaan bellen,’ zei zijn moeder.
Ik knikte. Ik voelde me niet lekker. Nerveus, bang, ik wist niet wat het eigenlijk was. Ik keek naar zijn moeder die met haar telefoon aan haar oor zat te praten.
‘Jorick heeft hem gevonden.’ ‘Ja.’ ‘Nee, hij is hier.’ ‘Kom maar.’
Ze legde haar telefoon weer op tafel. Dit was nu nog een kwestie van een paar minuten.

De deurbel ging niet eens, Jorick’s vader had ze al opgevangen. Ik hoorde ze meteen door de hal lopen, recht naar de keuken. Ik had mijn handen voor me op tafel liggen, keek nerveus naar de deur. Mijn moeder kwam als eerste.
‘Jarno! Godzijdank.’
Ze huilde. Ik kon niet anders, ik stond op en liep naar haar toe. Ze pakte me vast en trok me tegen zich aan. Ik huilde mee, dat kon ik niet tegen houden. Opluchting, dat was wat ik voelde. Mijn armen zaten strak om haar heen. Ik voelde me klein, zoals jaren geleden. Haar handen streelden mijn rug. Tot er een derde hand op mijn rug kwam. En een vierde. Ik keek op en zag mijn vader. Tranen over zijn wangen. In mijn ooghoek zag ik dat de ouders van Jorick ontroerd waren. Jorick zelf stond een beetje ongemakkelijk te kijken. Normaal zouden we grijnzen naar elkaar maar dat deden we niet. Hij keek serieus, ontweek mijn blik een beetje.
‘Jongen,’ zei mijn vader.
Hij kwam niet verder. Ik keek hem ook niet aan. Mijn ogen lagen dicht op de schouder van mijn moeder. Het werd ongemakkelijk, we stonden stil.
‘Even wat drinken om van de eerste schrik te bekomen?’ zei Jorick’s moeder.
Langzaam werd de greep losser, we lieten elkaar los. Mijn vader aaide nog een keer over mijn hoofd, mijn moeder had moeite me los te laten. Ik had nog een halve mok thee. Ik ging weer zitten en nam een slok. Met de mok tussen twee handen op tafel bleef ik er naar staren. Wat moest ik zeggen? Wat kon ik zeggen? “Sorry?”
‘Jarno,’ zei mijn vader weer. ‘Ik ben blij dat je weer veilig terug bent.’
‘Ik ook.’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Sorry.’
‘Ik ook niet.’
We keken naar elkaar. Ik wilde glimlachen naar hem, maar dat was niet echt het goede moment misschien. Mijn moeder zat naast me en liet me niet los.
‘Jullie hoeven ook nog niets te zeggen,’ zei de moeder van Jorick. ‘Hij is terug, dat is even het belangrijkste nu. Praten kan straks ook nog. Daar hoeven wij niet bij te zijn.’
Nu glimlachte ik wel. Mijn vader ook. We dronken zwijgend, redelijk snel. Ik wilde ook wel naar huis. We namen na een kwartier afscheid, mijn ouders bedankten hun nog een keer.
‘Als er iets is, als we jullie kunnen helpen…’ Zijn moeder keek ook naar mij. ‘We zijn er voor jullie.’
Ik knikte. Mijn vader gaf allebei de ouders van Jorick een hand. Jorick’s vader legde nog even zijn hand tegen zijn bovenarm. Ze knikten begripvol naar elkaar. Tussen mijn ouders in liep ik terug naar huis. Mijn rugzak over mijn schouder. Ik had het idee dat alle buren achter de gordijnen stonden te kijken. Ik was blij dat ik wist dat iedereen dacht dat ik gewoon bij familie had gelogeerd. Het voelde vertrouwd, mijn huis. Maar ik had hetzelfde gevoel als na een vakantie van drie weken. Terwijl het maar een week was geweest. Of ietsje langer. We gingen de woonkamer in. Mijn moeder haalde meteen wat te drinken. Ik voelde me weer ongemakkelijk. Wat moest je nou zeggen op zo’n moment? Mijn moeder kwam weer terug de kamer in. Ze straalde. Haar verloren zoon was weer thuis.
‘Ik ben blij dat we je gevonden hebben,’ zei mij vader weer.
‘Ja,’ zei ik.
Ik meende het, ik was ook blij weer thuis te zijn. Mijn vader keek ineens heel serieus.
‘Jarno,’ begon hij aarzelend, ‘om maar meteen met de deur in huis te vallen…’ Hij zuchtte. ‘Het spijt me wat ik gedaan heb. Dat had ik zo niet moeten doen.’
‘Ik ook niet,’ zei ik.
‘Nee, misschien niet, maar we hebben het allebei zo uit de hand laten lopen.’
Ik knikte. Van binnen was ik ook een beetje verbaasd. Hij was ineens begripvol. Of was het opgelucht, wat ik voelde? Triomf? Had ik hem op zijn knieën?
‘Waar ben je de hele tijd geweest?’ vroeg mijn moeder.
‘Overal en nergens,’ zei ik.
‘Bij wie heb je geslapen?’
Ze was bezorgd. Ik dacht na over wat ik allemaal wilde vertellen.
‘In het park.’
Haar mond viel open, ze sloeg haar hand even voor haar mond. ‘In het park?’
Ik knikte. ‘Het was er warm genoeg voor.’
‘Daar waar die jongen is gevonden?’
‘Ja.’
Ze keek geschrokken. ‘Maar dat is toch gevaarlijk jongen? Net als die jongen…’
‘Dat was een overdosis mam. Dat is wat anders.’
‘Kende je hem?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, geen idee wie het is.’
Mijn vader en ik keken elkaar aan.
‘Jorick zei dat je op het bureau bent geweest.’
Mijn vader knikte.
‘Heb je hem gezien?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ze stelden een hoop vragen. Welke kleren je aan had, hoe groot je was, kleur haar, kleur ogen… Je kon het niet zijn.’ Hij nam een slok. ‘Daarna gingen ze nog meer vragen stellen. Waarom je weg was, dat soort dingen. Ze zouden naar je uitkijken.’
‘Ik ben Ralf nog tegen gekomen.’
‘Ja, dat weet ik. Hij heeft me gebeld.’
‘Je had hem gevonden via internet, vertelde hij.’
‘Ik moest iets. We wilden weten waar je was. We snapten er niets van, Jarno. Je nam je telefoon niet op, daarna stond hij zelfs uit.’
‘De batterij was op.’
‘Het eerste wat we dachten was dat je naar hem was gegaan en dat je daar niet meer weg kon of zo.’
‘Wat?’ vroeg ik verbaasd.
‘Wisten wij veel wat er aan de hand was.’
‘Alsof Ralf mij zou ontvoeren of vasthouden of zo.’
‘Toen ik hem gevonden had bleek al snel dat je niet bij hem was. Hij nodigde ons zelf uit.’
‘Daarna zag ik in jouw kleerkast dat je kleren had meegenomen,’ zei mijn moeder. ‘Toen begon het wel wat duidelijker te worden.’
‘En mijn bankrekening was geblokkeerd.’
‘Ja,’ zei mijn vader. ‘Je kon wel overvallen zijn of beroofd. Dat hebben we maar voor de zekerheid gedaan.’
‘Lisanne vertelde dat je een keer bij Ruben was geweest,’ zei mijn moeder. ‘Dat was het eerste teken van leven dat we hadden. Ze zei dat je er goed uitzag.’
‘Ja.’
Ik slikte. Ruben. Hij ontroerde me steeds weer.
‘Dat was lief van je, dat je aan hem dacht.’
‘Ja,’ zei ik weer.
Het viel even stil.
‘Wil je niet even douchen?’ vroeg mijn moeder.
‘Straks,’ zei ik en dronk mijn glas leeg.
‘Nog eentje?’
‘Ja, lekker, dank je.’
Er viel weer een rare stilte. Ik voelde dat nog lang niet alles gezegd was. De vakantie, het gedoe rond Ralf waarmee alles begonnen was. Hij had hem nu gezien, had met zijn ouders gepraat zelfs. Wat dacht hij nu? Wat vond hij er nu van? Ik wist niet hoe ik er over moest beginnen. Raar allemaal, ik dronk zwijgend mijn glas leeg. Was ik maar meteen gaan douchen. Mijn vader keek al net zo ongemakkelijk.
‘Gewoon even lekker douchen,’ zei mijn moeder. Ze snapte de situatie helemaal. Dat voelde ze zelf ook wel. ‘Praten we straks wel weer verder.’
‘Ja,’ zei ik maar.
Ik stond op en liep naar de deur.
‘Leg jouw kleren maar op je kamer, dan was ik ze straks wel.’
‘Is goed,’ zei ik en ging naar mijn kamer.
Ik liet het bad vollopen. Terwijl het water stroomde en het bad vulde maakte ik mijn rugzak leeg. Mijn kleren gooide ik in een stoel. Het brood en de yoghurt zette ik op mijn bureau. Niet meer nodig, einde avontuur.

Ik zuchtte tevreden toen ik in het bad ging liggen. Het warme water was lekker. Flink wat schuim erin, alsof ik alles van me af wilde spoelen. Even ontspannen. Ik zag Ruben weer voor me, zittend in het bad, rustig tot en met. Vanmiddag even naar hem toe en dan op de terugweg langs het winkelcentrum, Stijn vertellen dat ik weer thuis was. Ik voelde me er bijna schuldig bij, ik was weer veilig thuis, voor hem ging het gewoon door. Ik was lekker loom toen ik uit bad stapte en me afspoelde onder de douche. Ik droogde me af en trok op mijn slaapkamer een boxer aan. Een schone, uit de kast, met de lucht van wasverzachter. Ik was ineens moe. Alle spanning van de afgelopen dagen kwam eruit. Ik ging op bed liggen en sloot mijn ogen. Eventjes maar, gewoon een uurtje slapen zonder voor iets bang te hoven zijn.

Ik schrok wakker van een kus op mijn voorhoofd. Mijn moeder keek me aan en glimlachte. Er brandde licht op mijn kamer.
‘Lekker geslapen?’
‘Hm-m,’ mompelde ik slaapdronken.
‘Je hebt twaalf uur aan een stuk geslapen,’ glimlachte ze.
‘Pfft, echt?’
‘Ja. Je zult het wel nodig hebben gehad.’
Ik rekte me uit en stopte mijn armen weer onder mijn dekbed. Ik kon nog niet echt wakker worden.
‘Hoe laat is het?’
‘Twaalf uur. Wil je iets eten?’
Ik wilde nee zeggen maar mijn maag knorde. ‘Ja, lekker.’
‘Ik maak wel iets voor je. Daarna ga ik wel slapen hoor.’
Ik glimlachte. ‘Ik wil het zelf ook wel doen hoor.’
‘Nee, blijf nog maar even lekker liggen.’
‘Dank je.’
Ze aaide nog een keer over mijn hoofd. Bij de deur draaide ze nog even om.
‘O ja, Jarno? Ik heb net jouw kleren gewassen, maar ik mis een paar dingen. Kan dat?’
Ineens was ik klaarwakker. Stijn!
© 2011 Oliver Kjelsson